Presidentscampagne is gebaat bij religieuze touch

Jarenlang gold de Amerikaaanse politicus die meer dan vijf woorden aan godsdienst wijdde, als een fanaticus. De running mate van de Democratische presidentskandidaat Al Gore, Joe Lieberman, komt echter onbeschroomd voor zijn geloofsovertuiging uit. Daarmee bewijst hij het land een goede dienst, meent E.J. Dionne jr.

Ik beken. Ik vind het prachtig wat Joe Lieberman teweegbrengt in ons nationale debat over godsdienst en het openbare leven.

Jarenlang werd iedere politicus die meer dan een paar woorden aan godsdienst wijdde, automatisch beschouwd als een bigotte fanaticus die een christelijk Amerika wilde stichten. Maar Lieberman is joods en hem kan niet worden verweten dat hij de rechten van religieuze minderheden wil aantasten. Als hij het over zijn godsdienstige overtuiging heeft, is dat vol vreugde – er is geen ander woord voor. Hij vertelt ons gewoon wie hij is.

Lieberman stelt onze rechtlijnigheid op de proef. Wie destijds George Bush veroordeelde omdat hij Jezus zijn favoriete politieke denker noemde, moet nu besluiten wat hij vindt van een Democratisch politicus die stelt: ,,De Grondwet garandeert vrijheid van godsdienst, geen verschoning van godsdienst.''

Overigens moet worden gezegd dat veel mensen over het hele politieke spectrum de rechtlijnigheidsproef met glans doorstaan. Zo is het goed voor de verdraagzaamheid en de intellectuele integriteit dat de Anti-Defamation League (die zich inzet voor godsdienstvrijheid en strijdt tegen het antisemitisme) Lieberman, de eerste joodse kandidaat voor een nationaal ambt, heeft verweten dat hij te veel over zijn geloof praat.

Ook was het goed dat Terry Jeffrey, voormalig adjudant van Pat Buchanan en hoofdredacteur van het rechtse blad Human Events, Liebermans geloofsuitingen vurig heeft verdedigd. Jeffrey laat zich oneindig veel liever in het openbaar geselen dan de belangen van Democraten, links-liberalen of Al Gore te dienen. Maar Jeffrey beseft terdege dat hij het aan zijn vroegere onwankelbare steun voor religieus rechts verplicht is thans een lans te breken voor Lieberman, die zegt dat wij Amerikanen ,,als volk ons geloof dienen te herbevestigen''.

Lieberman is niet de eerste politicus die zegt hoe belangrijk geloof voor onze democratie is. President Dwight Eisenhower hield ooit de natie de volgende treffende opinie voor: ,,Onze regering is een zinloze instelling tenzij ze is gebaseerd op een innig religieus geloof – wélk geloof maakt me niet uit.''

De actuele discussie over religie en politiek is veel serieuzer dan destijds in het door Eisenhower getypeerde verleden. Dat is wat veel mensen zo'n onbehaaglijk gevoel geeft.

In zijn voortreffelijke boek Beside Still Waters schrijft Gregg Easterbrook: ,,Als een politicus of beroemdheid mompelt dat hij of zij gezegend is door de Heer, in onmiskenbaar holle, voor publieke consumptie bedoelde frasen, stoort niemand zich daaraan. Als dezelfde persoon vol overtuiging zegt: `Ik geloof oprecht dat mijn overtuiging me gebiedt dit of dat te doen', dan wordt dat als ongepast veroordeeld.''

Lieberman en Bush geven inderdaad te kennen dat ze menen wat ze zeggen, en dat hun geloof zo belangrijk is dat ze iedereen ervan moeten vertellen. Sommigen hebben daar moeite mee, omdat een politieke positie wordt gebruikt om geloof te verkondigen. Anderen hebben er moeite mee omdat politici, hoe oprecht ook, altijd de verdenking op zich laden dat ze over geloof beginnen omdat ze weten dat de meeste kiezers warm lopen voor gelovige politici.

En spreken over geloof is bij uitstek gunstig voor Democraten, die terrein hebben moeten prijsgeven op het gebied van wat we vagelijk aanduiden als `waarden'. Het wordt nogal eens vergeten dat Bill Clinton in 1992 door zijn handige gebruik van religieuze taal heel wat stemmen wist te winnen. Clinton bezocht veel meer kerken dan Lieberman tot dusver en hield er enkele van zijn beste speeches. Republikeinen hoeven zich niet te schamen voor de verdenking dat Liebermans religieuze uitspraken in deze campagne zijn partij wel heel erg goed uitkomen. Want dat doen ze.

De opgave voor Lieberman is dezelfde als voor Bush. Het is goed wanneer een politicus uitspreekt in hoeverre zijn politieke opvattingen voortkomen uit godsdienstige stelregels. Maar in een vrije, pluralistische samenleving waartoe ook niet-gelovigen behoren, zal een politicus zichzelf moeten verklaren in bewoordingen die ook andersdenkende kiezers aanspreken.

Bij Bush is het probleem niet dat hij Jezus heeft genoemd als zijn favoriete denker, maar dat hij op de vraag om zich nader te verklaren antwoordde: ,,Tja, als ze het niet snappen, dan zal het moeilijk zijn uit te leggen.'' Een politicus in een vrije samenleving, hetzij Bush hetzij Lieberman, moet kunnen uitleggen waarom hij God en het geloof in zijn campagne te berde brengt, of hij moet God buiten de politiek houden.

Intussen tekent het onze acceptatie van religieuze pluriformiteit dat Lieberman, die behoort tot een religieuze minderheid, zo vrijuit over zijn geloof praat. John F. Kennedy, de eerste rooms-katholieke president, voelde zich heel wat minder vrij. Hij verbloemde zijn geloof in plaats van het te accentueren.

Dat verschil toont aan dat de tijd achter ons ligt waarin het protestantisme in dit land het standaardidioom van de openbare geloofsbelijdenis verschafte. Thans wordt het geaccepteerd en zelfs geprezen wanneer ook aanhangers van andere godsdiensten zich in een politieke campagne op hun geloof beroepen. Zo bezien vormen Liebermans openbare uitlatingen niet een bedreiging van de godsdienstvrijheid, maar zijn zij een uiting van haar triomf.

E.J. Dionne jr. is columnist.

©Washington Post Writers Group