Losse flodders

Prinsjesdag nadert en de kritiek op het kunstbeleid zwelt aan. Komt er 35 miljoen gulden extra voor kunst? Moet het subsidiesysteem op de helling?

De cirkel in de discussie over het Nederlandse kunstbeleid is rond. Op hetzelfde podium bij het Amsterdamse Theaterfestival waar twee jaar geleden de net aangetreden staatssecretaris Rick van der Ploeg in een geruchtmakende `State of the Union' zijn ideeën presenteerde, kraakte vorige week Arie van der Zwan het nieuwe cultuurbeleid van Van der Ploeg. Te veel aandacht voor jongeren, allochtonen en het nieuwe, te weinig aandacht voor de serieuze problemen van de bestaande kunstinstellingen. Van der Zwan keerde zich ook tegen het functioneren van de Raad voor Cultuur. Voorzitter Winnie Sorgdrager uitte daarover op dezelfde dag in Groningen eveneens haar twijfels. Sorgdrager heeft verder weer kritiek op de Tweede Kamer en op het beleid van Van der Ploeg.

Op Prinsjesdag publiceert Rick van der Ploeg zijn Cultuurnota, waarin hij de Tweede Kamer voorstellen doet over de subsidiëring van de kunst in de komende vier jaar. In mei adviseerde de Raad voor Cultuur over de 754 subsidieaanvragen, maar de komende weken wordt het pas echt menens. Zal Van der Ploeg het voor elkaar krijgen om van minister Zalm 35 miljoen extra los te krijgen, zoals de Raad voor Cultuur hoopt? De definitieve beslissingen gaan vallen, eerst op het departement, ten slotte in de Tweede Kamer.

De met opheffing bedreigde kunstinstellingen protesteren met hernieuwde kracht en wekken soms de indruk dat er in deze tijden van miljardenmeevallers op kunstgebied sprake is van een bezuinigingsbeleid. Maar voorlopig is er alleen maar sprake van grote interne verschuivingen in het kunstbudget. De kunstpolitiek heeft nog niet geprofiteerd van de nieuwe welvaart.

Drie orkesten moeten van de Raad van Cultuur verdwijnen en op concerten klinkt dus weer het vertrouwde `Wij moeten blijven'. Zo gaat het om de vier jaar, want als er een nieuw kabinet is, komt er een nieuw kunstbeleid en willen de Raad voor Cultuur en de nieuwe staatssecretaris daadkracht tonen.

Na twee jaar, waarin de talloze provocerende ideeën van Van der Ploeg dagelijks nieuws waren, klaagt Sorgdrager opeens over het gebrek aan principiële discussie in de Tweede Kamer over het gedachtegoed van Van der Ploeg. Maar de Raad voor Cultuur, bij wet ingesteld om gevraagd en ongevraagd te adviseren over het cultuurbeleid, heeft daaraan gedurende het cruciale afgelopen halfjaar zelf geen substantiële bijdrage geleverd. Nu pas, in Groningen in plaats van in Den Haag, komt Sorgdrager zelf met wat principiële standpunten. `Bij de aandacht voor multiculturaliteit moet de kwaliteit van de kunst de hoofdrol blijven spelen en niet de bijdrage aan de verscheidenheid of het bereik onder minderheden.'

Dat lijkt een ferm standpunt van Sorgdrager, een stevige stellingname tegen de speerpunt in het beleid van Van der Ploeg. Maar dit is nu juist iets waarover in de Tweede Kamer wel degelijk uitvoerig is gesproken, onder aanvoering van het VVD-Kamerlid Atzo Nicolai, vroeger algemeen secretaris van de Raad voor Cultuur. Het kwaliteitscriterium bestaat officieel, zo is tijdens de Kamerdiscussie vastgesteld. Het pleidooi van Sorgdrager om een onderscheid te blijven maken tussen kunst en welzijnswerk is daarmee even vanzelfsprekend als overbodig.

Dat een voorzitter van een belangrijk adviesorgaan toch zoiets meent te moeten zeggen, is tekenend voor de chaotische sfeer rondom het cultuurdebat. Zelfs de naast betrokkenen, voor wie het debatteren over het cultuurbeleid dagelijkse professionele arbeid is, lijken het zicht daarop te verliezen. Van der Zwan spreekt Sorgdrager trouwens weer tegen. Hij zegt dat de Raad zich bij zijn oordelen wel beroept op het kwaliteitscriterium, maar voor nieuwkomers toch bereid is heel andere maatstaven aan te leggen. Van der Zwan verwijt de Raad juist `kritiekloos' Van der Ploeg en zijn activisme te volgen.

Het cultuurdebat is steeds meer een debat onder economieprofessoren: Van der Ploeg, Van der Zwan en Lubbers, die vorig jaar betoogde dat geld verdienen niet de eerste taak is voor de kunsten. De serieuze discussie met de georganiseerde kunstwereld en met individuele kunstenaars ontbreekt vrijwel geheel. Van der Ploeg gaat slechts zelden in op argumenten die anderen in het geding brengen en wordt niet moe zijn eigen stellingen te herhalen. Hij versmalt het belang van kunst en cultuur door altijd en alleen maar weer te pleiten voor het werven van een jong en allochtoon publiek voor de gesubsidieerde kunst, die anders haar legitimatie zou verliezen.

De staatssecretaris verklaart zich tegen een tweedeling van de maatschappij, in culturele en elitaire haves en have-nots. Het is een sympathiek standpunt, want wie is daarvoor? Maar het is de vraag of iedere jongere en allochtoon eigenlijk ook van de Westerse kunst zou moeten houden en niet mag beslissen wat hij zelf mooi vindt. Allerlei oudere autochtonen houden ook niet van Brahms, maar dat is toch geen reden om het Concertgebouworkest op te heffen.

Het probleem met het kunstdebat is dat niemand nog zicht heeft op wat nu werkelijk het regeringsbeleid is. Van der Ploeg heeft verzuimd daarin een brede en degelijke consistentie aan te brengen. Met zijn vrijwel dagelijkse publicitaire activiteiten bedrijft hij niet alleen kunstpolitiekmanagement by speech, maar vooral by losse flodder.

Telkens opnieuw lanceert Van der Ploeg zijn opzienbarende ideetjes. Moeten we geen schilderijen van Rembrandt exposeren op Schiphol? Kunnen we orkesten niet vaker de wijk insturen, gedirigeerd door een kind, zodat zo'n jongen of meisje eens kan voelen wat het is om voor een orkest te staan? Als dan na veel ergernis bij betrokkenen blijkt dat het allemaal in de praktijk niet kan, dan zegt de staatssecretaris op zijn best dat het maar een ideetje was, een losse gedachte, een nuttige stimulans voor de discussie.

Wat er uiteindelijk van al die suggesties blijft hangen, is een karikatuur van kunstbeleid, het idee dat je met een paar aardige en gemakkelijk lijkende initiatieven echt iets kunt bereiken dat voordien ondenkbaar was. De ideale kunstwereld ligt om de hoek, we hoeven alleen maar alles een kwartslag te draaien, en dan is de fata morgana in zicht.

Van der Ploeg heeft tomeloze ambities, Sorgdrager en Van der Zwan hebben hun kanttekeningen bij de procedures en de ambtenarij bij het toekennen van kunstsubsidies. Sorgdrager klaagt dat het voor de Raad voor Cultuur allemaal veel te veel is, om iedere vier jaar al die adviezen aan de staatssecretaris te geven. Hoewel de Raad daarvoor juist is opgericht, is de kantoor- en vergadercapaciteit eigenlijk niet berekend op het behandelen van al die initiatieven om gesubsidieerde kunst te gaan maken. De voorzitter stelt daarom voor aard en omvang van de kunstpolitiek aan te passen aan de bureaucratie op de Haagse Raad.

Sorgdrager wil af van discussies over kleine vaste subsidies en die laten beoordelen door de verschillende kunstenfondsen, die nu ook de incidentele subsidies toekennen.

Van der Zwan wil af van de vierjaarlijkse beoordeling. Hij wil minder structureel gesubsidieerde gezelschappen, en die een langduriger concessie geven – zoals ook omroepen, telefoniebedrijven en oliemaatschappijen concessies krijgen. Periodiek moeten er dan open inschrijvingen komen om gegadigden voor bespeling van een theater met elkaar te laten concurreren.

Als Sorgdrager en Van der Zwan hun zin zouden krijgen, zou er snel weer een beweging zijn om dat terug te draaien. Het huidige systeem van de vierjaarlijkse Cultuurnota is ontworpen om steeds opnieuw een integrale afweging te maken bij het besteden van het kunstbudget.

Wanneer dat idee wordt losgelaten, wordt de kunstsubsidiëring verder gedecentraliseerd en verdwijnt steeds meer het zicht op de normen die daarbij gelden. Dat is nu al het geval bij de adviezen van de Raad voor Cultuur. Bij de subsidieverzoeken voor theater spelen de criteria `jong' en `allochtoon' wel degelijk een rol, bij klassieke muziek en opera in het geheel niet.

Wat geen van beide critici noemen, maar wat echt veranderd zou moeten worden, is de grote tijdsdruk die het huidige systeem oplevert. In oktober of november wordt door de Tweede Kamer beslist of orkesten en gezelschappen per 1 januari nu wel of niet worden opgeheven, of het voortaan met belangrijk minder subsidie moeten stellen. Kunstinstellingen als orkesten, opera- en dansgezelschappen hebben vele tientallen werknemers in vaste dienst. De planning van voorstellingen en de contracten met dirigenten, regisseurs en choreografen lopen jaren vooruit op de Haagse kunstpolitiek. Als er dan echt wat moet worden opgeheven, is een opzegtermijn van minstens een jaar niet meer dan redelijk. Afgetreden en weggestemde politici krijgen ook wachtgeld.