In ernst gezwollen

In de film Kleine Teun van Alex van Warmerdam komt een groep wielrenners langs. Op de achtergrond, naast wat strobalen, is enkele ogenblikken een man te zien. Die man is de vorig jaar overleden Thomas Rap, uitgever in de marge en een onopvallend, inmiddels vergeten dichter. Alleen aan het laatste valt nog iets te doen en daarom verscheen onlangs bij zijn uitgeverij, of wat daar van over is, in een blauw bandje zijn bescheiden oeuvre.

Dat bestaat uit vijf kleine bundels, waarvan twee ooit onder pseudoniem uitkwamen. Zo werd Raps debuut, In de verte bast een hofhond (1973) uitgegeven onder de naam C.N. Baron de Sadeleer, stellig een verwijzing naar Marten Toonders stripheld Markies de Cantecler, de snobistische parbleu!-roepende buurman van Ollie B. Bommel die zich het liefste op eenzame wandelingen overgeeft aan natuurlyriek.

Thomas Rap schrijft hier met andere woorden de bundel die Marten Toonder ons onthield (of waarin Markies de Cantecler niet slaagde), al staan er voorzover ik dat zie geen verwijzingen in naar de Bommelstrips. De titels van de gedichten zijn in hoofdletter gezette zinsdelen in gezwollen taal: `Dagenlang joeg en raasde een bolle voorjaarswind over bossen en golvende heidevelden' heet het eerste, gevolgd door `Er is geplas van riemen en vaarstokken in goudgespetterd water'. Zo'n pastiche past goed in het ironische poëzieklimaat van de jaren zeventig, dat net als veel andere narigheid uit dit overschatte decennium het nodige esthetische onheil heeft aangericht. Je raakt op deze ironie snel uitgekeken met onophoudelijk krachteloze regels als `Maar nog is het lentegroen der bomen jeugdig fris/ Door de tinten van het lover zijn eik en berk van ver te onderscheiden'.

Na enige jaren verscheen onder eigen naam in korte tijd een drietal bundels, Doorzonwoning (1979), Villa (1980) en Kantoor (1981), met de ondertitels Moderne gedichten, Mieterse gedichten en Monumentale gedichten. Ze schetsen, zoals dat heet, een tijdsbeeld. Diezelfde jaren zeventig worden hier met verholen ironie opgevoerd vanuit het perspectief van de vrouw van `Marc-Jan', in hun doorzonwoning met heidetuin en bielzen op een woonerf, vanuit het oogpunt van de vrouw van `Carli' in Villa (Chinees eten, retriever) en ten slotte, in Kantoor door de ogen van een boekhouder in het bedrijf waar deze Carli chef is, en Marc-Jan niet. Als de boekhouder op weg is naar 'een feestelijke kaderbijeenkomst' rijdt hij er samen met `Marc-Jan' heen.

Meneer Carli, wiens huis we bijna

passeren, gaat niet met ons mee.

Ik begrijp dat wel: Verschil moet er zijn.

Het is lulligheid troef in deze korte, titelloze gedichten, die eerder proza zijn met onregelmatig afgeknipte regels. Een voorbeeld van zo'n vers: `Voor aan het raam van Pamela's kamer heeft/ Marc-Jan smalle plankjes gemaakt./ Daar staan nu cactussen op en wat dieren/ die te groot zijn voor haar letterbak. Het/ geheel is leuk afgewerkt met/ macramé'.

Deze gedichten doen sterk denken aan het destijds succesvolle soft parlando van Cees Buddingh', al was die dan ook nog eens schaamteloos persoonlijk en even schaamteloos productief. Wat is het toch heerlijk dat de tijd verder schrijdt en de dingen voorbij gaan.

Te persoonlijk is wel het laatste wat je Thomas Rap in zijn gedichten kunt aanwrijven. Zijn laatste bundel, Stella maris, verschuilt zich weer achter een pseudoniem. Het benadert, dat ben ik met de inleider eens, het meest de serieuze poëzie. Van Buddingh' en karnemelkse ironie is gelukkig weinig meer over, hoewel daarvoor weer de gezwollenheid terugkomt die in het debuut opzettelijk leek, maar nu de indruk wekt serieus te willen worden genomen:

Het eindeloze blauw, de zilte prikkeling

van hartstocht, het lijden onverstaan.

De zee gaat alleen de goden aan.

Je moet je als lezer bij de tekst houden, maar zie je in de verte de figurant naast een paar strobalen, dan is het niet erg.

Thomas Rap: Verzamelde gedichten. Met een inleiding van

Job Degenaar.

Thomas Rap, 182 blz. ƒ39,90