`Iedereen leeft in het absurde'

Ze ontvluchtte het land nadat ze op straat was aangevallen, maar in haar boeken brengt Leïla Marouane de gruwelijke realiteit van Algerije haarscherp voor het voetlicht. `Ik ben niet militant, ik ben een vrij individu.'

In 1990 werd de Algerijnse journaliste Leïla Marouane (40), onderweg van de bushalte naar huis met een scheermes bewerkt door een groep jonge islamistes. Anonieme dreigbrieven ontving ze toen al langer, maar uit angst voor herhaling van de fysieke agressie besloot ze haar vaderland voorgoed te verlaten. In Parijs publiceerde ze haar eerste boek, Het meisje uit de Kasba (1996). Vlak daarna werd eerst de hond van haar zuster voor haar ogen doodgeschoten en vervolgens werd haar vader door onbekenden toegetakeld. Hij verloor een oog.

Het valt Leïla Marouane zwaar om, tegen de achtergrond van het gewelddadige Algerije, te praten over literatuur en over de twee goed geconstrueerde romans die zij tot nu toe over haar land publiceerde. Haar Parijse appartement is kleurig, er staat een oranje i-Mac tussen door haar geschilderde, felle doeken met verstarde, wezenloze gezichten. Ze kleedt zich in het zwart en haar thee heeft de kleur van inkt. Al sprekend, afwisselend moedeloos en cynisch, dwaalt ze van literaire thema's af naar het terrorisme, naar de schier onbeekbare macht van de militairen en de onschuldige slachtoffers. Dit alles is aanwezig in haar veelal uit dialogen bestaande romans, dreigend op de achtergrond en bepalend voor het lot van haar personages. In Het meisje uit de Kasba weigert een dertigjarige lerares - tegen alle sociale dwang in - een man te trouwen die haar tegenstaat, en met wie ze het traditionele leven zou moeten leiden van een islamitische echtgenote. Ze zoekt vrijheid en rijkdom in het bed van een machtig maar wreed man - een naïeve vergissing die leidt tot een in wanhoop en woede begane moord. `Het boek speelt tussen 1988 en 1991', zegt Marouane, `toen er sprake was van beginnende openheid. Ik refereer aan de speech van de president op 18 september 1988 (Liamine Zéroual, MD) , waarin hij het volk beledigde en zei dat iedereen die niet tevreden was maar zijn biezen moest pakken. Een maand later brak de opstand uit. Er was aan alles gebrek, aan koffie, thee, vlees - verschrikkelijk voor een land dat bevolkt is met hartstochtelijke koffiedrinkers en vleeseters. We hadden een eeuw honger gehad, de oorlog en de kolonisatie waren voorbij en nu hadden we nóg honger. Dat werd als een groot onrecht ervaren.

`Mijn boek is geen emancipatie-verhaal. Het is een parabool voor de situatie van mijn land, al wist ik dat niet toen ik het schreef. Het meisje is op zoek naar haar eigen, verdiende geluk. Ze maakt een vlucht naar voren, zoekt haar identiteit. Ze sluit geen compromissen, neemt niet de sluier aan, denkt erover naar het buitenland te gaan, maar we weten niet of ze dat uiteindelijk doet.'

Het meisje uit de Kasba eindigt in een angstige droom, waarin de gewelddadige werkelijkheid en doodsvisioenen door elkaar lopen. `Ik blijf steken in de waanzin, daar is niets aan te doen. In mijn land heerst de waanzin. Een bevriend journalist zei me dat er per stad wel een boot vol met psychiaters nodig is. Iedereen leeft er in het absurde. De desillusie is erger dan al het andere. Iedereen weet dat er heel snel een einde gemaakt zou kunnen worden aan het terrorisme in Algerije en iedereen weet ook waarom dat niet gebeurt. De militairen poken het vuurtje van het fanatisme op, om hun macht te bewaren en te versterken. Iedere maand worden er zo'n tweehonderd mensen vermoord. Dat zijn nooit generaals, het zijn zelfs niet meer de mensen op de markt van de grote steden. Tegenwoordig zijn het onbeduidende dorpsbewoners, mensen die niets bezitten dan een miniscuul stukje grond. Als er een paar worden vermoord, vertrekken de anderen uit angst. De grond wordt achtergelaten en door de machtigen ingepikt. Er worden villa's op gebouwd, fabrieken neergezet of het wordt landbouwgrond. Dat mag niet naar buiten komen, daarom mag de buitenlandse pers het land niet in. Acht jaar geleden was ik er voor het laatst. Ik werd van dichtbij gevolgd, ik mocht niet met de mensen praten.'

Woorden van politici en, in het algemeen, handelingen van mannen beschrijft Marouane met het grootst mogelijke wantrouwen en cynisme. De aanloop tot de wanhoopsdaad van Marouane's vrouwelijke hoofdpersoon wordt afgewisseld met authentieke fragmenten uit een radiodebat van vlak voor de eerste (en enige) Algerijnse vrije gemeenteraadsverkiezingen in 1990. `Journalisten vroegen de politiek leider van de zogenaamd neutrale Partij voor Cultuur en Democratie of er ook vrouwen op zijn lijst voorkwamen', vertelt Marouane, `waarop hij antwoordde: Het zijn verkiezingen, het is geen modeshow. Algerije heeft een groot probleem met de vrouw. Ik maak me ernstig zorgen over hun lot. Als hun de keel niet wordt afgesneden, of hun kinderen niet worden vermoord, dan worden ze wel belachelijk gemaakt, zelfs door mannen die voor intelligent doorgaan. Een verstandige, niet reactionnaire leider van de Forces Socialistes, in wie ik veel vertrouwen had, lanceerde eens de campagne `touche pas à ma soeur'. Aan de eerste vergadering namen vijfhonderd mannen deel, de vrouwen werden weggestopt achter een heuvel in de buurt. Men hoorde alleen hun youyous (hoge kreten, MD)."

Marouane's tweede roman, De verstotene, illustreert op een onvergetelijke de absurde en gewelddadige gevolgen van de islamitische wetten in Algerije voor het dagelijks leven. In een vlaag van woede verstoot de visser Zeitoun zijn vrouw, moeder van zeven kinderen, omdat zij zonder mannelijke begeleiding in een taxi is gestapt op weg naar haar pas geboren kleinkind. Hij arrangeert voor haar een huwelijk met een ongetrouwde buurman, met wie hij afspreekt dat deze haar op zijn beurt zal verstoten zodat hij opnieuw met haar zal kunnen trouwen. Maar helaas, het blijkt echte liefde en zijn vrouw keert niet terug. De vader wordt een mikpunt van spot, verliest zijn eer en goede naam en wordt door de geheime dienst opgepakt. Uit frustratie slaat hij op zijn beurt zijn oudste dochter bijna dood.

Hoewel de roman leest als een gruwelijk sprookje, waarbij zwarte humor en karikatuur effectief worden ingezet, spreekt Marouane van een liefdesverhaal. Alleen wordt dat deel van het verhaal juist niet beschreven. `De Franse titel is Ravisseur: rover, schaker. Je weet niets van de man die de verstoten vrouw zijn liefde aanbiedt en met haar verdwijnt. Hij is verdacht, zou een joodse moeder hebben en impotent zijn - meer dan genoeg om in Algerije versmaad te worden. De ex-echtgenoot voelt dat de door hem verstoten vrouw de liefde heeft gevonden en dat kwelt hem. Er zijn twéé slachtoffers: de vader en zijn oudste dochter, de vertelster. De andere dochters redden het, de moeder ontdekt het geluk. Dat maakt het boek tot een hymne aan de liefde. Het heeft in mijn ogen een geweldig happy end.'

Marouane beschouwt haar schrijverschap niet als een wapen in de strijd. Ook zonder het terrorisme in haar land zou ze, zegt ze, schrijfster zijn geworden, net als haar vader. `Ik ben niet militant, ik vecht niet, al ontkom je er niet aan op de één of andere manier te getuigen van de tijd waarin je leeft. Ik wil wel dat de toekomst nota neemt van wat er nu gebeurt. Er zijn schrijvers, zoals Yasmina Khadra (die in plaats van een vrouw een hoge militair bleek te zijn, MD), die aan de kant van de militairen staan, die doen alsof er in Algerijnse politiebureaus niet wordt gemarteld. Ik wil ware herinneringen aan dit land opschrijven. Ik heb er zelf geen enkel belang bij. Ik doe het niet voor een partij of een of andere machthebber. ik heb geen kinderen die ik aan Eton wil laten studeren. Ik ben een vrij individu.'

Leïla Marouane:` Het meisje uit de Kasba' en `De verstotene'. Beide vertaald door J. Hartmans en E. Renes. Uitg. Element. Beide 188 blz. ƒ29,50

We hadden een eeuw honger gehad en nu hadden we nóg honger

Ik wil ware herinneringen aan dit land opschrijven