Hellesprookjes over de `condition juive'

Begin oktober wordt de eerste Nobelprijs voor literatuur van de nieuwe eeuw uitgereikt. Niet alle eerdere winnaars zijn bekend gebleven. Het CS haalt zes schrijvers uit het vergeetboek. Na Saint-John Perse en Michail Sjolochov nummer drie: Samuel Josef Agnon.

Het wordt vaak gezegd: de toekenning van de Nobelprijs voor literatuur is een politieke aangelegenheid. Zou Nadine Gordimer hem gekregen hebben als de anti-apartheidsbeweging begin jaren negentig niet een steuntje in de rug had kunnen gebruiken? En was de dissidente Rus Solzjenitsyn in 1970 gelauwerd als de Koude Oorlog toen niet een dieptepunt bereikt had?

Meer dan `misschien' valt daar niet op te antwoorden, zolang de notulen van de Zweedse Academie geheim blijven. Maar dat de 18 gezworenen van het Nobel-comité zich niet altijd door de politieke actualiteit laten leiden, bewijst de enige Israelische laureaat uit de literatuurgeschiedenis. Samuel Josef Agnon ontving de prijs – die hij deelde met de joods-Duits-Zweedse dichteres Nelly Sachs – in 1966. De 78-jarige prozaschrijver was toen al decennia lang een monument van de Hebreeuwse literatuur. Als het Comité het constant bedreigde Israel morele steun had willen geven, had het Agnon beter kunnen bekronen in 1948 (toen de joodse staat gesticht werd) of in 1956 (na de tweede Israelisch-Arabische oorlog).

Agnon, die zijn naam had ontleend aan een van zijn eerste verhalen in het Hebreeuws (`Agoenot'/ `Geketende zielen', 1908), was in veel opzichten een nationaal schrijver, die in leven en literatuur de `Jewish Experience' belichaamde. Geboren als zoon van een rabbijn in een joods-Galicische gemeenschap, en intellectueel gevormd door de zionistisch-Duitse cultuur van de jaren tien, vestigde hij zich in 1924 definitief in Palestina. Daar, in zijn huis bij Jeruzalem, schreef hij het grootste deel van de verhalen waarmee hij beroemd werd: sprookjesachtige moraliteiten die beïnvloed waren door de chassidische traditie, maar die vooral gingen over de problemen van de jood in de moderne wereld. Met de publicatie van zijn Verzameld Werk (1931-1952) groeide hij uit tot een soort wereldse superrabbijn, die bij officiële gelegenheden mocht uitpakken met zijn kennis van de joodse leer.

Dat laatste is bijzonder, want in zijn boeken geeft Agnon blijk van een tweeslachtige houding ten opzichte van God en de orthodoxe religie. Het mooiste voorbeeld is de intrieste `Vertelling van de Toraschrijver' (`Aggadat ha-Sofer', 1919), over een man die zo vroom is dat hij zijn kinderloze vrouw verwaarloost en indirect de dood in jaagt. In een van de vele laconieke zinnetjes die het verhaal de moeite waard maken, schemert zelfs een modern cynisme door: `Omdat de Heilige begeren heeft naar de gebeden der rechtvaardigen,' zegt de alwetende verteller, `had hij haar schoot gesloten.' Dat komt dicht in de buurt van de beroemde monoloog van de Here uit `God's Song' van Randy Newman: `I burn down your cities how blind must you be/ I take from you your children and you say how blessed are we (-) That's why I love mankind.'

Nostalgisch

De recentste Nederlandse vertaler van Agnon, Albert van der Heide, verdeelde (in een artikel in Bzzlletin 205, april 1993) het oeuvre van de Israelische Nobelprijswinnaar in drieën. Er zijn de `nostalgische' verhalen die zich afspelen in een geïdealiseerd joods verleden, en die door Agnon zelf verzameld werden in zijn raamvertelling Het uithuwen van de bruid (Hachnasat kalla, 1931). Er zijn de `moderne' verhalen en romans die zich afspelen in de tijd van de pioniers in Palestina. En er zijn de `surrealistische' verhalen die Agnon sinds de jaren dertig publiceerde en die zich laten lezen als wijze parabels over de condition juive en vooral het menselijk tekort.

Mijn favoriete Agnon-verhaal, `De dokter en zijn gewezen vrouw', komt uit de moderne categorie. Het vertelt hoe een dokter trouwt met een verpleegster, maar al snel zijn eigen geluk verpest door zijn obsessie met een eerdere relatie die zijn vrouw heeft gehad. Met tomeloze jaloezie blijft hij graven in haar verleden, en hoewel de vrouw in al haar onschuld antwoord geeft op al zijn vragen en hoopt dat de man weer bij zinnen komt, is het huwelijk gedoemd. Het verhaal is nog pijnlijker omdat het – achteraf en vervuld van spijt – wordt verteld door de man, die zich uiteindelijk heeft gerealiseerd wat voor verschrikkelijke gevolgen de hang naar perfectionisme kan hebben.

Beroemder dan door zijn rechttoe-rechtaanverhalen is Agnon door zijn surrealistische werk, dat in sfeer en in gelaagdheid doet denken aan dat van zijn jonggestorven generatiegenoot Kafka. Met `Een heel brood' (Pat shelema) legde hij in 1933 in één klap zijn imago als vriendelijke verteller af. Het verhaal, dat zich afspeelt aan de vooravond van de sabbat gaat over een man die niet kan kiezen tussen twee belangrijke dingen die hij moet doen, eten (ter voorbereiding op de sabbat) en een brief posten voor een vriend; door eindeloos twijfelen en klungelen doet hij uiteindelijk geen van beide. Net als de verhalen van Kafka leest `Een heel brood' als een nachtmerrie en is het in de loop der tijd zowel religieus als erotisch als humanistisch geduid.

Het complexe van `Een heel brood' zit in de dubbelzinnigheid van de handeling en in de joodse symboliek, en niet in de eerste plaats in de stijl. Misschien is het verhaal daarom ook een van Agnons bekendste gebleven, want de bijbelse, plechtstatige taal die veel van zijn andere vertellingen kenmerkt, zal hem buiten Israel nooit een breed lezerspubliek geven. Agnon noemt borsten `de twee tafelen van het verbond' en schrijft niet over een slimme jongen, maar over iemand `die zich zeven pilaren van wijsheid heeft uitgehouwen'. Zijn verhaal `Geketende zielen' begint met de aankondiging `In de geschriften staat vermeld', en gaat verder met: `Israëls daden spinnen een daad van genade, waarvan de Heilige zelf streng voor streng een gebedskleed weeft, dat geheel bestaat uit genade en gratie en waarin de Gemeente Israëls zich kan hullen'.

Vergelijk die zin met willekeurig welk begin uit Kafka's oeuvre, en je begrijpt waarom er nog nooit een hip café naar Samuel Agnon is genoemd.