Erg veel van het verkeerde

In de voormalige DDR wist Christoph Hein (1944) als auteur te overleven door zijn bijzondere talent te richten op de beschrijving van het banale. In een interview heeft hij zichzelf, iets te bescheiden, een chroniqueur van het dagelijkse leven genoemd. Het hoogtepunt in zijn inmiddels omvangrijke oeuvre, de novelle Der fremde Freund (1982), heeft de dramatiek van het dichtsbijzijnde als thema. Hein toont zich ook in ander werk een grootmeester in het vinden van woorden die uitdrukking geven aan het emotionele gewicht van kleine gebeurtenissen. Hij beheerst de kunst om dingen die saai lijken een grote literaire spanning te geven. Hij is veel minder op dreef als hij buiten de sfeer van het alledaagse treedt en bijvoorbeeld, zoals in Das Napoleonspiel (1993), zijn fantasie de ruimte geeft.

In de nieuwe roman Willenbrock komen zowel de sterke als de zwakke kanten van dit schrijverschap naar voren. De titel verwijst naar de hoofdpersoon Bernd Willenbrock, die in de DDR als ingenieur werkzaam was op de onderzoeksafdeling van een fabriek in technische apparaten. Na de Wende is zijn bedrijf failliet gegaan. Om aan de werkloosheid te ontsnappen is Willenbrock handelaar geworden in tweedehands auto's, die hij vooral naar Polen en Rusland doorverkoopt.

Goedmoedig

Willenbrock is een wat grove maar goedmoedige figuur. Het dagelijkse beheer van zijn handel, gevestigd in de buurt van Berlijn, laat hij over aan zijn Poolse assistent, al heeft hij soms zijn twijfels of deze Jurek wel helemaal te vertrouwen is. Willenbrock houdt genoeg tijd over om het aan te leggen met vrouwelijke cliënten, die steevast worden uitgenodigd voor een gezamenlijke testrit. Dit tijdverdrijf verhindert hem niet om op zijn eigen manier veel aandacht te schenken aan zijn jongere vrouw. Zij bezoekt graag musea, hij verpoost zich liever met het doorbladeren van geïllustreerde tijdschriften over vliegtuigen. Hij heeft voor haar een boutique aangeschaft waar zij smaakvolle vrouwenkleren verkoopt. De enige inbreuk op zijn modale bestaan bestaat uit een telefoontje waaruit blijkt dat een vroegere collega als Spitzel voor de Stasi heeft gewerkt en ook over Willenbroch inlichtingen heeft doorgegeven. Hij kan zich niet over dit bericht opwinden. Hij leeft naar het motto dat je mensen kan negeren als je ze niet meer nodig hebt.

In ruim honderd bladzijden wordt Willenbrock in al zijn banaliteit zo raak geportretteerd dat hij de lezer stbeeds meer gaat boeien. Dan neemt het verhaal een scherpe wending, die de kwaliteit niet ten goede komt. De misdaad doet zijn intrede, eerst mondjesmaat maar daarna in snel tempo steeds heviger. Het begint met de diefstal van een paar auto's, gevolgd door een nachtelijke overval die de hond van de nachtwaker het leven kost. Kort hierna dringen een paar Russische criminelen de privéwoning binnen van het echtpaar Willenbrock, een inbraak met een gewelddadig verloop.

Deze gebeurtenissen worden uitvoerig en met grote vaart beschreven, met als nadeel dat de literatuur wordt verdrongen door de suspense. De roman krijgt snel het karakter van een krimi en de subtiel-beeldende stijl maakt plaats voor opgewonden reportageproza. Als Hein wil laten zien wat deze schokkende ervaringen in een mensenleven kunnen aanrichten, schiet hij zijn doel voorbij. Nadat hij is overgeschakeld van de eerste naar de vijfde versnelling, worden de contouren van zijn personages steeds vager. Over het gevoelsleven van Willenbrock en diens vrouw krijgen we niet veel meer te horen dan dat ze bang worden in hun eigen huis en slecht de slaap kunnen vatten.

Waarschijnlijk moet de figuur Willenbrock model staan voor de vele slachtoffers van de sociale ontwrichting in de vroegere DDR: hij raakt zo ontregeld dat zijn wil wordt gebroken. Maar ook als politiek-maatschappelijke Gegenwartsroman is dit boek niet geslaagd. Willenbrock is niet alleen het doelwit van diefstal, overval en inbraak, vervolgens raakt hij zo buiten zinnen dat hij ook zelf geweldpleger wordt. Hij laat zich de aanschaf van een revolver aanpraten waarmee hij een vermeende indringer neerschiet. Het is allemaal wel erg veel van het verkeerde.

Heeft Hein zich in deze roman laten meeslepen door zijn teleurstelling over wat er na 1989 van de vroegere DDR is geworden? Met die staat onderhield hij een ingewikkelde verhouding. Als schrijver en dramaturg had hij problemen met de censuur. Hij oefende kritiek uit op het systeem, maar liet zich ook privileges (reizen naar het Westen) aanleunen. Toen in november 1989 de muur viel, behoorde hij met Stefan Heym en Christa Wolf tot de groep kunstenaars en intellectuelen die ijverden voor het voortbestaan van een DDR waarin het vrijheidslievende socialisme een kans zou krijgen.

Het liep zoals bekend anders, en Hein lijkt in deze roman te willen zeggen: dat is nu wat de teloorgang van het socialisme heeft opgeleverd. Behalve de barbarij grijpt, zo maakt Willenbrock duidelijk, ook de morele onttakeling om zich heen. Over de grimmigheid van de xenofobe stemming wordt weinig te raden overgelaten. `Azië, alles wordt Azië', zo vat een gesprekspartner van Bernd Willenbrock de heersende mening samen. En we krijgen ook te horen welk recept volgens de stem van het gesundes Volksempfinden een eind kan maken aan de oprukkende criminaliteit: `Arbeitslager, wie bei Adolf'. In Der fremde Freund schetste Hein een indrukwekkend beeld van de treurige levensomstandigheden en politieke willekeur in een communistische samenleving. Hij deed dat door op indirecte wijze te laten zien hoe het dagelijks bestaan door het systeem werd vergald. Willenbrocks schiet als literaire creatie tekort doordat de schrijver te nadrukkelijk een boodschap wil verkondigen.

Toch laat Hein ook in deze roman bij vlagen zien waarom hij op dit moment een van de belangrijkste Duitse schrijvers is. De beschrijving van de bijeenkomst in een dorpscafé, na de begrafenis van Willenbrocks schoonmoeder, is van een grote suggestieve schoonheid. Hetzelfde geldt voor de tragikomische taferelen tijdens de modeshow in de boutique van mevrouw Willenbrock. Een hoogtepunt in deze roman is het optreden van de Rus Krylow, die geregeld in gezelschap van zijn zwijgende lijfwachten en een forse stapel bankbiljetten auto's komt kopen. Zijn ironische observaties over de Duits-Russische betrekkingen, steeds met een onheilspellende ondertoon, zijn om in te lijsten. Als Willenbrock zich bij hem beklaagt over de nalatigheid van een naburige firma die verzuimt de afspraak na te komen om op korte termijn een loods op zijn terrein te bouwen, verzucht Krylow vol medeleven: `Wat moet er van de wereld terecht komen als zelfs Duitsers niet meer te vertrouwen zijn?' Zo valt er in deze mislukte roman toch nog heel wat te genieten.