Een wapen dat zich bewijst

Een tweede boek definieert een schrijver. Hij is geen onbeschreven blad meer, zijn debuut ligt klaar als vergelijkingsmateriaal. Er worden overeenkomsten tussen de beide boeken zichtbaar, thema's die hem blijkbaar steeds weer bezighouden, en zo groeit er boven de bladzijden uit een beeld van waar het in zijn wereld in de kern om draait.

Zo valt nu vast te stellen dat het in de wereld van Erwin Mortier om een huis draait. Een verweerde hoeve, aan de rand van een Vlaams dorp. De binten steunen onder het gewicht der eeuwen, de seizoenen werken in het hout. De voordeur leidt langs kronkelige gangen naar kamers vol meubelen die er sinds mensenheugenis al staan. Er hangen oude foto's, er hangt oude lucht, in alles ligt een lang voorbij verleden opgeslagen.

In deze kamers wonen de restanten van een fier geslacht dat altijd met het huis verbonden is geweest. Er schuifelt een onduidelijke oom rond, er zijn ongetrouwde tantes, er is een verbeten grootmoeder die niemand meer heeft om haar heerszucht nog op uit te leven. Ze beseffen dat ze aan het eind van hun geschiedenis staan, ze horen in het heden nauwelijks meer thuis, en vestigen hun aandacht daarom op het laatste kind dat de familie nog heeft voortgebracht. Een jongetje, dat ook in het huis woont.

Op hem zoomt Mortier vervolgens in. Het jochie wordt gekoesterd als de hoop van de familie. Hij krijgt de tradities van het huis mee, moet daar als het kan zelfs de belichaming van worden en groeit daardoor op met tijden die buiten de poort allang niet meer bestaan. Hij leeft onttrokken aan het heden, een verstekeling uit een verleden, en het is die toverachtige, onwerkelijke Sitz im Leben die Mortier ten slotte onderzoekt.

In Marcel, de volkomen eigen en stilistisch wondermooie novelle waarmee Mortier twee jaar geleden debuteerde, gebeurde dat door het verleden uit te lichten waar het jongetje mee opgroeit. Het blijkt dan vooral te gaan om het verleden van een oudoom, Marcel, die in de oorlog voor de Duitsers vocht en aan het oostfront sneuvelde. Zijn nagedachtenis wordt in de hoeve heimelijk nog hooggehouden. In de kleine jongen wordt zijn evenbeeld gezien, precies Marcel, en daarmee pakken de tradities van het huis voor deze laatste nazaat ongelukkig uit. Hij zit gevangen in een wensdroom die hem afsluit voor zo ongeveer de hele naoorlogse wereld.

Maar aan een leven als verstekeling uit het verleden zitten ook aantrekkelijke kanten, zo laat nu de opvolger van Marcel zien. Mijn tweede huid, opnieuw een eigenzinnig en subtiel stilistisch weefsel, begint wanneer het jongetje nog helemaal geen weet heeft van de situatie waarin hij opgroeit. Hij is een peuter en hij stapt parmantig rond tussen de oude meubelen en snuisterijen, hij geniet als hij ze aanraakt en bekijkt en ruikt. Het hele huis is er wat hem betreft voor zijn genot. Het biedt hem een besloten, eigen wereld waar zijn zintuigen de baas zijn. Een tweede huid.

In dit boek is de vraag vervolgens hoe bestendig zo'n bewaarplaats van het verleden is, in een moderne wereld die zich daar steeds verder van verwijdert. Het verhaal richt zich niet meer op het verleden van het jongetje, de oorlog is dit keer niet aan de orde, het gaat nu juist om zijn toekomst. Hij krijgt zelf het woord, held en verteller tegelijk, en hij gebruikt dat om in drie delen, die elk een periode uit zijn leven laten zien, uiteen te zetten hoe de tijd zijn paradijselijke kinderwereld stap voor stap onttakelt.

De eerste stap in die onttakeling komt in zijn peuterjaren, in het eerste deel, wanneer zijn inwonende oom Michel hem op schoot trekt, een attaque krijgt en ter plekke dood blijft. Vanaf dat moment lijkt alles rond het huis voor hem veranderd. Vreemde, in het zwart geklede mensen komen binnen, vreemde woorden worden uitgesproken. Hij raakt zijn gevoel van macht over de dingen kwijt en daarmee zijn gevoel van veiligheid, de wereld blijkt vol van bedreigingen.

Verpachte grond

Een tweede stap komt in het tweede deel, wanneer hij, nu een puber, onder ogen ziet dat voor het oude huis en alles wat daar bij hoort simpelweg geen toekomst meer bestaat. De gronden zijn verpacht, de stallen staan al jaren leeg en ook de mensen zijn niet meer wat ze geweest schijnen te zijn. `De Callewijns zijn een oude struik', hoort hij zijn vader zeggen. `Veel jeugd vroeger, veel ouderdom nu.'

Ook begint het tot hem door te dringen dat de Callewijns er niet in zijn geslaagd de overstap te maken naar een meer moderne manier van leven. Rond de hoeve worden snelwegen en industrieterreinen aangelegd, waaraan zijn vader graag had bijgedragen. Pompsystemen had hij willen bouwen, schakelingen en motoren. Maar hij had thuis niet de kans gekregen om door te leren voor `mechanicus' en was arbeider geworden in de meelfabriek, waar hij graan giet in `machines die hij nooit had ontworpen'.

In het voetspoor van zijn vader raakt de jongen tussen wal en schip, los van het oude maar zonder houvast in het nieuwe. Hij haat de wereld en hij haat zichzelf. Zijn dagen zijn van een haast kosmische verlatenheid, de toekomst is een kale vlakte, hij wil terug naar het verleden. Valt er te ontkomen aan de destructieve macht van de tijd?

Dan is daar Willem, een klasgenoot en net als hij een buitenbeentje. Ze trekken samen op, wat hem doet `hunkeren naar iets wat ik maar halvelings kon bevatten'. Er ontstaat een stuntelige liefde, hij weet niet goed wat hem overkomt, maar het voelt als een `grenzeloze zegening', alsof hij aan de tijd ontsnapt, en dan is duidelijk dat hij iets vindt wat de geborgenheid heeft van zijn oude kinderwereld. Een nieuwe tweede huid.

Lofzang

Op dat punt lijkt het even of het boek zal eindigen als een verlossende lofzang op de liefde – en dat maakt het einde waar Mortier daadwerkelijk op aanstuurt ronduit schokkend. In het derde deel, de jongen is dan negentien, wordt ook de liefde hem uit handen geslagen. Het gebeurt, hoe zeg je dat zonder te veel te verraden, met de onverschilligheid waarmee alleen de dood kan toeslaan, en zo blijf je achter met een slot zo zwart dat je er eigenlijk niets meer mee aan kunt. De familietraditie weg, het huis weg en ook de vervanging van dat alles, de liefde, weg. Alles weg.

Zo ontpopt Mortier zich in dit tweede boek als een auteur van de klassieke soort die de vergankelijkheid beweent en vervloekt. De tijd maakt alles stuk. Niets blijft gespaard, geen illusie overleeft, en God als troost bestaat al helemaal niet meer. Het enige wat rest is machteloosheid en melancholie – een geestgesteldheid waar de jonge held als peuter zelfs al door wordt overmand `bij de aanblik van alles wat verminderde.'

Toch is dat in Mijn tweede huid niet helemaal het laatste bod, er zit een kleine tegengeschiedenis in weggestopt. Mortier laat merken dat de Callewijns nog extra kwetsbaar zijn voor de vergankelijkheid omdat ze een taalarm geslacht zijn. In de boekenkast staat niet meer dan een encyclopedie, aan tafel wordt niet meer gezegd dan nodig is. De vader zoekt daardoor vergeefs naar woorden voor de onttakeling van alles wat hij is en heeft. Hij kan er geen betekenis aan geven en vreet zich dus op.

Zijn zoon vindt daarentegen juist een toevlucht in de taal. Hij ziet het als zijn `huistaak' elke dag zijn indrukken te ordenen en in elkaar te passen, en hij droomt van boeken vol gedachtegangen en verbanden die hem daarbij helpen. De orde van de woorden biedt hem `een verrukking die de wanhoop evenaart,' zoals hij uitlegt – en dat is precies wat hij vervolgens als verteller ook de lezer meegeeft. Wanhoop over de vergankelijkheid, gepaard aan de verrukking van de woorden die daar greep op krijgen.

Menens

Ook dat is natuurlijk een klassieke wending. Taal als wapen tegen de tijd. Literatuur als redding uit het leven. Een gevaarlijk thema voor een roman, omdat het een soort advertisement for itself is en nogal wat schrijvers aantrekt van het type dat zichzelf graag schouderklopjes geeft met elegant gemijmer over de kunst en hoe die toch als enige de tijd trotseert. Maar bij Mortier geen spoor daarvan. Hij mijmert niet, hij doet iets waar je aan kunt zien dat het hem menens is. Hij houdt het thema impliciet en eist van zijn verhaal dat het zichzelf als talig wapen simpelweg bewijst.

Daartoe bedient hij zich nu van een stijl die ongekunstelder en wereldser is dan in Marcel, wat benadrukt dat de held een wereldser ontwikkeling doormaakt. De zinnen zijn iets opener, de metaforen draaien niet meer in elkaar als oude boomwortels. Maar onveranderd is de rijkdom van die metaforen en de bijna schilderkunstige concentratie op zintuiglijke details. Het zonlicht op een stoffige stoel, de geur van zwembad of een haperende stem – je ziet en ruikt en hoort het als de peuter waar het boek mee begon.

Die buitenkanten van de dingen roepen vervolgens ook een binnenkant op. Aan gevoelens en motieven van de personages wordt maar weinig expliciet benoemd, maar in de algehele sfeer van kwetsbaarheid en weemoed van de scènes word je ontvankelijk voor details. De woordeloze blikken van de vader naar zijn zoon, die zijn gevoeligheid voor de teloorgang van hun oude wereld heeft geërfd. De blikken van de zoon, die voor zichzelf wel woorden heeft maar tegenover zijn vader toch ook stilvalt. Het is op de rand van sentiment, maar de intensiteit waarmee Mortier de scènes neerzet maakt ze van een ongewone broosheid en tederheid.

Met die stilistische krachtproef gaat die oude wereld niet minder voorbij en wordt de dood niet minder dood. De tijd is onverbiddelijk. Maar wel roept de stijl die oude wereld terug in al zijn eigenheid – en laat ze tussen de regels door precies zien waar het in dit schrijverschap uiteindelijk om draait. Mortier maakt van de taal een tweede huid.

Erwin Mortier: Mijn tweede huid. Meulenhoff, 192 blz. ƒ34,25 (pbk), ƒ45,- (geb.)