Een petekind van Braudel

De Franse historicus Braudel trof een Nederlandse geestverwant in A.M. van der Woude, die baanbrekend werk deed op het terrein van de economische geschiedschrijving. In zijn afscheidsbundel worden harde noten gekraakt over de toestand van de universiteiten.

Tot een van de invloedrijkste Nederlandse historici moet de Wageningse hoogleraar A.M. van der Woude worden gerekend. Onder sociaal-economische vorsers gold zijn proefschrift over het Noorderkwartier (Noord-Holland boven het IJ) uit 1972 als een standaardwerk. Bij een ruimer publiek was hij bekend als een van de drijvende krachten achter de Spiegel Historiael, waarvan hij vanaf 1966 tot heden een der redacteuren is. Grotere bekendheid verwierf hij in 1995 met de publicatie van een vuistdik overzichtswerk van de economische geschiedenis van Nederland. Hierin maakte Van der Woude met zijn (Amerikaanse) co-auteur Jan de Vries, aannemelijk dat ons land in de periode 1500-1800 een `eerste ronde van economische groei' doormaakte. De in 1997 verschenen Engelse vertaling werd vorig jaar verkozen tot het beste boek over de Europese economische geschiedenis uit de periode 1996-1998.

Ter gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar is een ruime keuze uit Van der Woude's oeuvre gebundeld. Uit dit overzicht van 23 artikelen blijkt niet alleen hoe productief Van der Woude was, maar vooral ook hoe veelzijdig. Hij hield zich bezig met landbouwgeschiedenis, maar daarnaast behoren ook historische demografie en cultuurgeschiedenis tot zijn specialismen. In het laatste decennium van de twintigste eeuw liet hij zich met enige regelmaat verleiden tot observaties over de actualiteit en bespiegelingen over de toekomst. Zijn uitspraken over de toekomst van het gymnasium, over de Europese integratie en het landbouwbeleid zijn zo origineel en interessant, vooral omdat ze goed in de historische context geplaatst worden, dat zeker politici en ambtenaren er kennis van moeten nemen.

Uit bijna elke bijdrage in deze bundel blijkt dat Van der Woude één grote geestelijke peetvader heeft: Fernand Braudel. Zo'n twintig jaar geleden wees de Leidse historicus H.L. Wesseling in de bundel Historici van de twintigste eeuw de Fransman Braudel aan als `de beroemdste historicus van onze tijd en de invloedrijkste van zijn generatie'. Dat Braudels ster tot immense hoogte kon stijgen, komt vooral door zijn concept van de gelaagdheid van de tijd. In zijn fameuze De Middellandse Zee en de mediterrane wereld ten tijde van Filips II (1949), dat hij in krijgsgevangenschap schreef, introduceerde hij de begrippen `structuur', `conjunctuur' en `evenement'. Tot de eerste rekende Braudel op het oog onzichtbare bewegingen zoals zeer langzame geologische en geografische verschijnselen. In de tweede, de conjunctuur, schrijdt de tijd voort in ook langzame, maar waarneembare ritmen. In de derde speelt het eenmalige en het toevallige een hoofdrol, dat zich voordoet als dé geschiedenis tout court. Tot rond het midden van de twintigste eeuw was geschiedschrijving vooral een aan elkaar rijgen van evenementen, van gebeurtenissen van korte duur. Braudel liet zien dat de behandeling van een onderwerp aan waarde wint met een benadering vanuit wisselende tijdschalen.

Annales

Van der Woude werd in 1957 als student-assistent in Utrecht gegrepen door de nieuwe aanpak die in Frankrijk door de groep rondom het tijdschrift Annales uitgedragen werd. `Als Saulus op weg naar Damascus werd ik,' zo schrijft Van der Woude, `in één nacht als door een bliksem getroffen. Achteraf beschouwd mag ik zeggen dat ik tegen het aanbreken van de ochtend een bekeerling was geworden. Als een jonge Paulus wierp ik mij op de Annales en begon Febvre, Bloch, Braudel, Morazé, Labrousse, Simiand te lezen.'

Deze omslag in vraagstelling en aanpak laat zich in Leven met geschiedenis haarscherp aanwijzen. Zo heeft Van der Woude uit zijn `heidense' periode het artikel `De crisis in de opstand na de val van Antwerpen' geselecteerd. Hierin is één evenement onder de microscoop gelegd en minutieus beschreven. Geheel anders is, uit zijn `bekeerde periode', de uitwerking van een ander evenement, de Vrede van Munster. In deze bijdrage past Van der Woude het concept van Braudel nauwgezet toe op de verwikkelingen rond 1648 en komt hij met een verbluffend nieuwe interpretatie. Hierin beoordeelt hij voor achtereenvolgens de korte, middellange en lange termijn de economische gevolgen voor de Republiek van de in Munster gesloten vrede met Spanje.

Indien uitsluitend naar de korte termijn gekeken wordt, moet de vrede zeer gunstig worden beoordeeld. We zien dan namelijk dat de handel met Spanje, met de Zuidelijke Nederlanden en over de Rijn en ook met de Baltische landen een hoge vlucht neemt. Bij een benadering van deze gebeurtenissen met een wat ruimere tijdspanne, komen de eerste nadelen in beeld. Dan blijkt namelijk dat in de jaren voor het sluiten van de separate vrede met Spanje de Republiek op de rand van de financiële uitputting balanceerde. Hoe klem de Republiek zat, blijkt uit het onvermogen de overhand te behouden op het, zelf ook in moeilijkheden verkerende, Portugal. Wél in de Indische Oceaan, waar de VOC zelf zijn militaire operaties betaalde; maar níet aan de Atlantische Oceaan waar overheidsgelden de WIC te hulp moesten komen. Dat hulp op voldoende schaal uitbleef was geen gevolg van desinteresse, maar, zo maakt Van der Woude aannemelijk, een kwestie van financieel onvermogen. Zo bezien redde de Vrede van Munster de Republiek van een bankroet.

De echte nadelen van de afzonderlijke vrede met Spanje, tonen zich pas ten volle bij een benadering uit het lange-termijnperspectief. Binnen pakweg zeventig jaar deed zich in Europa een verschuiving voor in de staatkundige betrekkingen die grote economische gevolgen had. Aan het begin van de zeventiende eeuw kon de Republiek rekenen op sympathie en steun van Frankrijk, Engeland en Zweden. Na 1648 kwam dat snel anders te liggen. De botsingen met Engeland kunnen niet direct op het conto van de Vrede van Munster geschreven worden, maar die met Frankrijk wel. In de oorlogen met Frankrijk, met name die van 1672-1678, bloedde de Republiek bijna dood en liepen handel, scheepvaart, visserij en nijverheid zware averij op, met Engeland als lachende derde. Zo maakt Van der Woude duidelijk dat de betekenis van de Vrede van Munster voor de economische ontwikkeling van de Republiek verschuift met de lengte van de tijdschaal: wat op het eerste gezicht als positief beoordeeld wordt, kan met een verruiming van de te beschouwen periode in een negatief oordeel omslaan.

Ook over andere onderwerpen laat hij zien wat de meerwaarde is van zo'n benadering. Steeds weer blijkt dat de middellange termijn (ook wel met het begrip `seculaire trend' aangeduid) Van der Woude's favoriete perspectief is. In zijn proefschrift was het reeds de rode draad, vooral door zijn toedoen lag het ten grondslag aan het concept van de delen vijf tot en met negen van de `nieuwe' Algemene Geschiedenis der Nederlanden en is het de ruggegraat van zijn samen met Jan de Vries geschreven Nederland 1500-1815.

Sneer

Wie denkt dat Van der Woude als een tevreden wetenschapper de universiteit de rug toekeert, vergist zich. Van der Woude laat zich zeer kritisch uit over de manier waarop de randvoorwaarden voor historisch onderzoek in Nederland tegenwoordig zijn geregeld. Zo laat hij geen spaan heel van de hervorming van het universitair onderwijs en de accentverschuivingen binnen het voortgezet onderwijs, laakt hij de geringe zorg van de overheid voor het behoud van archiefstukken en hekelt hij de projectmatige onderzoeksaanpak van de stichting NWO. Zelfs zijn eigen vakgenoten krijgen een sneer. In een overzicht waarin Van der Woude aangaf wat de invloed van Braudel in de Lage Landen was, schreef hij dat `in Nederland met de traditioneel sterke positie van de politieke geschiedenis op de kernleerstoelen nooit een gelegenheid voorbijgaat om de Braudelliaanse conceptie en de kijk, die dat op de historische processen meebrengt, te ondergraven'.

A. van der Woude: Leven met geschiedenis. Theorie, praktijk en toepassing van historische kennis. Balans, 474 blz. ƒ65,-