Dienaren van `de Kompenie'

Eens per jaar arriveerde een VOC-schip voor het eiland Ding Ding in de Straat van Malakka. Met kwast en verfpot gingen enkele compagniesdienaren aan land om een voorname taak te verrichten: het VOC-wapen op de plaatselijke merkpalen diende opnieuw in de verf te worden gezet, om elke twijfel aan de Nederlandse aanspraken op het eilandje weg te nemen.

De jaarlijkse verfbeurt wordt door de Utrechtse historicus J. van Goor gememoreerd in Indische avonturen. Dat de Europese expansie in Azië zich ook volgens een ingewikkelder patroon voltrok dan dit staaltje landjepik op Ding Ding, maakt Van Goors zijn lezers op overtuigende wijze duidelijk.

Indische avonturen is een bundel van negen artikelen met een grote onderlinge samenhang, die samen een indringend beeld geven van de Nederlandse expansie in Azië. Van Goor maakt duidelijk dat de Nederlandse machtsontplooiing overzee voor een belangrijk deel werd bepaald door de wisselwerking tussen Europeanen en hun plaatselijke tegenspelers. De Nederlandse positie was een spiegelbeeld van de politieke, economische en culturele eigenschappen van de Aziatische gemeenschappen. Van Goor: `Overal was de manoeuvreerruimte van de Europeanen afhankelijk van de kracht van de lokale instellingen. Hoe zwakker de vorst, des te groter de Europese invloed, en omgekeerd.' De koloniale beleidsmakers in patria hadden doorgaans geen greep op die communicerende vaten. Vaak leidde de realiteit van het politiek-economische spel in Azië tot vergaande machtsuitbreiding, in weerwil van de terughoudende koloniale politiek die de Heren XVII en (na 1800) het ministerie van koloniën voor ogen stond.

Omdat de aandacht zowel gericht is op de tijd van de Compagnie als op de Nederlands-Indische periode, biedt Van Goor interessante perspectieven op de lange termijn. Dat in de Indische archipel meer dan honderd jaar na het failliet van de Compagnie, nog steeds de gewoonte bestond om het Nederlands bestuur met de naam `Kompenie' aan te duiden, zegt veel over de historische continuïteit.

Toeristen

Van Goors verhalen spelen zich af aan het koloniale front. De lezer maakt kennis met de acteurs die het koloniale toneel bevolkten: Europese kooplieden, predikanten, soldaten, bestuursambtenaren, een enkele volkenkundige en een handjevol toeristen, maar óók een reeks Aziatische hoogwaardigheidsbekleders. Door deze persoonsgerichte benadering brengt Van Goor een abstract historisch proces als de koloniale expansie terug tot menselijke proporties.

A.W. Nieuwenhuis (1864-1953) kan worden beschouwd als de personificatie van de koloniale pioniersgeest. Als eerste Europeaan doorkruiste deze amateur etnoloog in 1896-1897 de binnenlanden van Borneo. De expeditie was een wetenschappelijke, maar diende eveneens een politiek-strategisch doel. De papieren aanspraak die het Nederlands-Indisch Gouvernement op Borneo deed gelden, zou door een succesvolle ontdekkingstocht kracht worden bijgezet.

De tocht werd een succes. Na anderhalf jaar was de assistent-resident Van Assen te Samarinda de eerste Europeaan, die Nieuwenhuis de hand kon schudden. Al die tijd had Nieuwenhuis zich moeten verlaten op een tiental Dajakse `metgezellen'. Zij bepaalden tempo en route van de expeditie. Van Goor betoogt dat het welslagen van de moeilijke tocht vooral te danken was aan het wederzijdse vertrouwen tussen Nieuwenhuis en zijn `gastheren', de Dajakse hoofdmannen. Dat vertrouwen werd gevoed door Nieuwenhuis' geduldige aard en aanpassingsvermogen. Zo hield hij rekening met het Dajakse bijgeloof, dat voorschreef pas na een gunstig voorteken de tocht voort te zetten. En omdat de Dajaks aanstoot namen aan baard en knevel, verzaakte Nieuwenhuis het scheren geen dag.

Duitser

Anders lag het bij Nicolaas Kloek. Deze Duitser in VOC-dienst zag zich in 1778 gesteld voor de kans van zijn leven: hij werd als eerste vertegenwoordiger van de Compagnie naar Pontianak (West-Borneo) gestuurd. Zijn (on)diplomatieke optreden ter plaatse werd vanaf het eerste uur ontsierd door het soort `krachtdadig optreden', waarvan Nieuwenhuis' jungletocht ruim een eeuw later verschoond zou blijven. Bij zijn eerste ontmoeting met sultan sjarif Joesoef van Pontianak plaatste Kloek zijn pistool met gespannen haan voor zich op tafel. Het was een onhandig begin van een missie, die voor de VOC-gezant eindigde in een fortje van waaruit hij elk uur in alle windstreken musketschoten liet afvuren. Kloek had het gemunt op een vijand, die eerder huisde in zijn door tropenkolder bevangen hoofd, dan in de nabije omgeving van zijn eigenhandig opgetrokken fortje. De maat was nu vol: op aandringen van de sultan van Pontianak werd Kloek door Batavia uit zijn functie ontheven.

Van Goor laat zien dat Kloek onvoldoende was toegerust voor zijn rol als vooruitgeschoven pion in het machtsspel van de Compagnie. Zijn overambitieuze, onbehouwen optreden veroorzaakte kortsluiting in het fijndradige netwerk van relaties met Aziatische vorsten. Toch laat deze Compagniesdienaar zich niet volledig terzijde schuiven als excentriekeling. De uitvoerige brieven die Kloek vanuit Borneo schreef, bevatten volgens Van Goor opvattingen, die passen in een `denkpatroon dat in de negentiende eeuw zou uitgroeien tot een volwaardige koloniale ideologie'. Kloeks gedachtegoed is doortrokken van de geijkte koloniale bemoeizucht, die gerechtvaardigd werd door zijn overtuiging dat de Compagnie `haar werk alleen daarvan maakte om het menschdom gelukkig te maken'.

Ook de VOC-predikanten Ruiterius en Fabricius, behoorden tot de verliezers aan het koloniale front. Binnen de Compagnies-hiërarchie nam de predikant een ondergeschikte positie in. Hij was ingeklemd tussen hogere roeping en de meer wereldse oriëntatie van de bedrijfsleiding. De bonte Aziatische omgeving, bevolkt door een `heidense' meerderheid, stelde de fanatiek-rechtzinnige dominees voor een probleem. De eerstgenoemde trok fel van leer tegen de deelname door Nederlanders aan populair-hindoeïstische gebruiken. De ander vernielde eigenmachtig boeddhistische tempels. Daarmee handelden zij weliswaar strikt genomen naar de gereformeerde leer, maar in strijd met het belang van de Compagnie, die zich met het oog op rust en orde liever aanpaste aan haar omgeving. Ruiterius en Fabricius werden beiden uit hun functie ontheven.

Met deze geknakte overzeese carrières brengt Van Goor de schuivende grens van de Nederlandse invloed op de Aziatische omgeving helder in het vizier. Zendingsdrang, opportunisme, winstbejag en zelfoverschatting, maar ook nieuwsgierigheid, aanpassingsvermogen en flexibiliteit - de door Van Goor opgetekende verhalen maken alle duidelijk dat niets menselijks het koloniale avontuur vreemd was.

J. van Goor: Indische avonturen. Opmerkelijke ontmoetingen met een andere wereld. Sdu Uitgevers, 294 blz, ƒ39,95