De trots van een kleine Belg

Volgens Karel van Miert had Wim Kok voorzitter van de Europese Commissie kunnen worden, als Frankrijk dat niet had verijdeld. De Belgische Eurocommissaris nam deze week afscheid met een boek, waarin de anekdote over Kok ontbreekt maar zijn eigen trots ongebroken blijkt.

Het was een weemoedig afscheidsfeest met orkestje en koud buffet dat de Belgische Eurocommissaris Karel Van Miert vorig jaar de Brusselse pers aanbood. Nadat de Europese Commissie met voorzitter Jacques Santer door het Europees Parlement tot aftreden was gedwongen, waren zijn meeste collega's met stille trom vertrokken. Maar Van Miert had nog een boodschap voor de journalisten die met hun kritiek een bijdrage aan de teloorgang van Santers Commissie hadden geleverd. Hij drukte zijn gasten op het hart dat zij hem ook in de toekomst als rector van de Nederlandse universiteit Nijenrode altijd konden storen en deelde kwistig zijn telefoonnummer rond.

Anders dan sommige van zijn collega's was Van Miert gehecht aan relaties met journalisten. Bij onthullingen over slecht management en financieel wanbeheer door de Europese Commissie was zijn naam altijd buiten schot gebleven. Zijn reputatie van onkreukbaarheid was ongeschonden. `Le petit Belge', zoals de vroegere Franse Commissievoorzitter Jacques Delors hem noemde, stond bekend als iemand die zich bij de handhaving van de Europese rechtsregels over mededinging door geen enkele regeringsleider opzij liet dringen.

Toch kreeg Van Miert op zijn afscheidsfeest maar beperkt de kans om daarvan nog een laatste keer te genieten. Veel van de genodigde journalisten waren niet komen opdagen. Van Miert was als Eurocommissaris al uit hun Brusselse adressenboekje geschrapt. Dat moet pijnlijk zijn geweest voor de zoon van een Vlaamse keuterboer die, zoals hij schrijft, de Europese politiek verliet `met een gevoel van dankbaarheid en in het besef een uitzonderlijk bevoorrecht man te zijn geweest'.

Met Mijn jaren in Europa, herinneringen van een Eurocommissaris heeft Van Miert een monument opgericht voor zijn eigen onaangetaste trots over zijn jaren als Europees commissaris. Dat is tegelijkertijd het gebrek van het boek. Het bevat veel anekdotes over het reilen en zeilen bij de Europese Commissie en over de – dikwijls moeizame – betrekkingen met de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie. Maar het mist volkomen de analyse van wat al deze gebeurtenissen betekenen voor de grote problemen waarin de Europese Unie de laatste jaren verwikkeld is geraakt.

Een groot deel van Van Mierts herinneringen worden in beslag genomen door de beschrijving van de opzienbarende zaken waarin hij als Eurocommissaris voor Mededinging tegenover regeringsleiders kwam te staan. Van de Duitse bondskanselier Helmut Kohl tot de Amerikaanse president Bill Clinton, van de Franse tot de Portugese regering, van internationale voetbalorganisaties tot de organisatoren van Formule 1 autoraces, iedereen heeft in het stof moeten bijten als Van Miert in naam van het Europese recht zijn tanden in een zaak zette. Maar in het boek ontbreken gevallen waarin de Eurocommissaris zijn gelijk niet wist te halen, zoals bij de zogenaamde technolease affaire waarbij hij achterwege liet om op te treden tegen de Nederlandse regering.

Flamboyant

Karel Van Miert werd op 1 januari 1989 lid van de Europese Commissie, die toen onder leiding stond van de door hem als `flamboyant' getypeerde Fransman Delors. De Belgische Eurocommissaris was afkomstig uit een eenvoudig christen-democratisch gezin, maar werd zelf een socialist die overtuigd was van de waarde van eerlijke concurrentie. Hij had zich al tijdens zijn studie in het mededingingsbeleid gespecialiseerd. Hij had in de jaren zeventig gewerkt bij het kabinet van de toenmalige Belgische Eurocommisaris, Henri Simonet. Hij had een belangrijke politieke carrière gemaakt. Voordat hij overstapte naar de Europese Commissie had hij het gebracht tot voorzitter van de Vlaamse Socialistische Partij.

Al in het najaar van 1988, bij zijn eerste ontmoeting met Commissievoorzitter Delors, werd Van Miert geconfronteerd met een belangrijk probleem van de Europese Unie. Hij had Delors gevraagd of hij de portefeuille Milieu kon krijgen. ```Uitgesloten', liet Delors mij ononwonden weten. Dat zou voor Parijs niet aanvaardbaar zijn, omdat ik me een verklaard tegenstander van kernenergie had getoond.' Van Miert gaat in zijn boek niet in op de vraag wat de Franse regering eigenlijk te maken had met de verdeling van portefeuilles binnen de Europese Commissie.

Zijn hele tienjarige carrière als Eurocommissaris wordt hij geconfronteerd met Eurocommissarissen die ondanks de door hun afgelegde eed van onafhankelijkheid toch optreden als belangenbehartigers van lidstaten van de Europese Unie. Keer op keer komt hij tegenover regeringen te staan die de Europese Commissie niet beschouwen als een supranationaal orgaan dat moet toezien op de uitvoering van de Europese verdragen, maar als een secretariaat waaraan zij opdrachten kunnen geven. Wat dat betreft is er weinig verschil tussen Europese regeringsleiders voor wie het woord federaal wel of niet taboe is, tussen de Duitser Kohl of de Fransman Chirac. Het zijn allemaal zaken die Van Miert als realiteiten noteert, zonder zich ook maar een ogenblik af te vragen wat het betekent voor de positie van de Commissie.

In 1996 wilde Van Miert optreden tegen de positie van de Duitse Landesbanken, die volgens Duitse privé-banken concurrentie vervalsende overheidssteun ontvingen. `Tijdens het bezoek dat ik voorjaar '96 aan kanselier Kohl bracht, drukte hij me op het hart inschikkelijk te zijn en niet aan het publieke systeem te raken', noteert hij. Over een conflict met Duitsland in 1997 schrijft Van Miert: `De subtiele Duitse strategie bereikte een hoogtepunt op de Europese Raad in Luxemburg, waar Kohl Santer openlijk aanpakte omdat we geen aanstalten maakten door de knieën te gaan. Dat was de dag waarop de bondskanselier de perplexe Santer toewierp: ``Das ist Krieg!' Ondanks deze dreiging liet voorzitter Santer mij verder mijn werk doen.'

In 1998 ging de Franse president Chirac tijdens de Europese Raad in het Britse Cardiff tekeer over het feit dat de Europese Commissie zich bemoeide met de verkoop van toegangskaartjes voor het Wereldkampioenschap voetbal in Frankrijk. De Commissie handelde naar aanleiding van klachten en was geheel bevoegd volgens de verdragsartikelen waarover de lidstaten zelf besloten hadden.

Arrogant

Eurocommissarissen die ondanks hun eed van onafhankelijkheid toch `betrokkenheid bij nationale belangen' tonen, krijgen enig begrip van Van Miert. Alleen de arrogante Franse Eurocommissaris Edith Cresson, die vorig jaar de Commissie-Santer in haar eigen val meesleepte, ging in zijn ogen te ver. Hij schrijft dat ze `vooral uitgesproken Franse standpunten' vertolkte. `Meestal las ze een of ander spiekbriefje af dat kennelijk in nauwe samenwerking tussen Parijs en haar kabinet was klaargestoomd. En dat deed ze openlijk. Commissarissen mogen best wat gevoelig zijn voor dossiers die hun land betreffen. Dat men probeert de aandacht van collega's te vestigen op gevoeligheden en bijzondere omstandigheden, hoort erbij. Dat is mij ook overkomen', aldus Van Miert.

De reden van het vroegtijdige einde van de Commissie-Santer zoekt Van Miert geheel bij het verlangen van het Europees Parlement om de macht van de parlementaire controle te tonen. Over de verzwakking van de Commissie onder druk van regeringsleiders die de Luxemburger Jacques Santer tot opvolger van Delors hadden aangewezen schrijft hij niet. Santer was in zijn ogen alleen iemand die naar consensus streefde en conflicten zoveel mogelijk vermeed. Dat hij juist daarvoor was gekozen en dat hij om die reden – door geen regeringsleider voorzien – diep in de problemen raakte, heeft Van Miert niet opgetekend, ondanks zijn tienjarig verblijf in het hart van de Europese Unie.

De voornaamste conclusies die Van Miert uit zijn ervaringen trekt, is dat het concurrentiebeleid belangrijk is en dat verder gewerkt moet worden aan een Verenigd Europa. Over de problemen die ontstaan als de instellingen en de besluitvorming van de Europese Unie niet grondig worden hervormd voordat nieuwe lidstaten uit Oost-Europa worden toegelaten, praat hij niet. Dat is een gemiste kans op het ogenblik dat de Europese Unie, na de mislukte poging om in 1997 in Amsterdam tot institutionele hervormingen te komen, de reële kans loopt dit jaar december tijdens de top van Europese regeringsleiders in Nice opnieuw niet veel verder te komen.

Van Miert heeft waardevol ruw materiaal geleverd voor wie in het werkelijke functioneren van de Europese Unie is geïnteresseerd. Dat is de kracht van zijn herinneringen en tevens de beperking.

Karel Van Miert: Mijn jaren in Europa. Herinneringen van een Eurocommissaris.

Lannoo, 342 blz. ƒ49,50