De Hollandse vrouw

Twee beeldhouwers arriveerden uit het Papoea-regenwoud in Amsterdam.

In het Vondelpark vonden ze geschikt hout. Ze gingen aan het werk.

Deze zomer liepen op een maandagmorgen twee jagers-verzamelaars uit de Asmat op de Amsterdamse Overtoom. Het waren de houtsnijders Sisomor Sa-tì (christelijke naam Rufus) en zijn jongere broer Omo-mà (Rodan) in gezelschap van enkele Nederlandse vrienden. Een mecenas had de reis van de twee Papoea's, inclusief het logies in zijn Jordaanse atelier, financieel mogelijk gemaakt. Sa-tì en Omo-mà waren voor het eerst bij ons, terwijl wij stuk voor stuk een of meerdere keren hadden gelogeerd in Sawa-Erma, het dorp in het Keenok-taalgebied van de noordwest Asmat waar zij vandaan kwamen. Sa-tì beheerste zijn emoties, maar Omo-mà glunderde ongeremd. In zijn hand hield hij losjes een 1000-grams bijl van het merk Nooitgedagt die hij zojuist in een doe-het-zelfwinkel had aangeschaft. Eindelijk waren ze dan in Nederland. Het land van vrienden en ijzer. Belanda, een onuitputtelijke bron van bijlen, beitels en andere metalen goederen.

Sa-tì en Omo-mà gebruikten consequent hun christelijke namen, terwijl ik hun Asmatnamen zo veel mooier vind. Ik zag liever dat zij Asmatters waren dan twee tropische tofelemonen op bedevaart naar de bakermat van hun geloof. Het is natuurlijk niet verbazingwekkend dat je in het land van de missionarissen je doopnaam gebruikt. Maar wat je, behalve katholiek, nog meer bent dat laat een houtsnijder, of wow-ipit, in de eerste plaats zien door beelden te maken.

Helaas dobberden de boomstammen die ze maanden geleden per schip uit het regenwoud van Papoea hadden opgestuurd, nog ergens op een oceaan. Het was vrijwel uitgesloten dat die nog zouden arriveren voordat zij over ruim een maand weer naar huis terugkeerden. Daarom zochten ze Nederlands hout dat geschikt was om beelden uit te snijden. Het mocht niet te hard zijn. Je moest er met een zeker sadistisch genoegen in kunnen hakken. Het moest bovendien buigzaam zijn en het mocht niet te snel splijten.

Tijdens de hevige storm die Nederland teisterde toen zij hier, bibberend van angst, het vliegtuig uitkwamen, woeien er talloze bomen om. Ook in het Vondelpark, zo ging het gerucht, maar waar lag het park ten opzichte van de Overtoom? Sa-tì en Omo-mà wilden liever niet achter ons aanlopen en dachten er niet over een kaart te gebruiken. Jezelf aanwijzen op een kaart? Een bizar idee. Je staat waar je staat. Hoe zou je je tegelijkertijd ook ergens op een kaart kunnen bevinden? Nee, om zich te oriënteren gebruikten zij uitsluitend de visuele bakens die de omgeving hun bood. Een opgebroken weg, een verkeersbord, een reclameposter of een opvallend gebouw. Waar was de rivier?

De gedempte rivier

Asmatters, Asmat-ow in hun eigen taal, bepalen altijd hun eigen positie ten opzichte van de rivier. Je begeeft je naar de rivier, of je gaat ervandaan, je vaart stroomopwaarts, of stroomafwaarts. Je plakt die positiebepaling aan het werkwoord dat je in dat verband gebruikt. Werkwoorden zijn niet zelden topzwaar van het aantal verwijzingen naar de rivier. `Schuitje varen, theetje drinken, varen wij op de Overtoom, drinken we zoete melk met room,' zong het in mijn hoofd. Hier was een eeuw geleden nog een theetuin waar je thee kon drinken en een gracht waarop je varen kon. Verdwenen. We legden uit dat de rivier gedempt was, maar vergaten erbij te vertellen dat die ooit door mensenhand gegraven was. Nu kwam het hun nog onbegrijpelijker voor dat je een rivier zou dichtgooien.

Een sagopalm, ontkiemt, groeit, bloeit en gaat dood. Mensen en dieren worden geboren en sterven, maar de rivier is er altijd. Op de rivier kun je vertrouwen. Dat de zijtak van de Pomat, waaraan zij wonen, gedempt zou worden, is onvoorstelbaar. Laat staan de reusachtige rivier zelf. Het einde van eb en vloed, alsof de wereld op een dood punt belandt, maar zo zouden zij het zelf nooit formuleren. Nadat ze enkele uren langs de grachten in de binnenstad hadden gelopen, merkten ze op: `Het is nog steeds hoog water.' Wat is een sluis, een gemaal, een polder? Hoe vertaal je pompen of verzuipen? Moesten we gaan vertellen over onze lokale cultuurhelden Leeghwater en Lely? Ze hadden ook al geen idee wie Rembrandt, Napoleon, of Nelson Mandela waren. Als hier nog getijden waren, verduidelijkten we, liep die rondvaartboot daar vast bij eb. De mensen zouden in de stinkende grijze blubber, te midden van bierblikjes en fietswrakken, moeten wachten tot ze weer vlot raakten. Jullie willen hier beelden maken, maar de bezoekers in die boot zijn gekomen om zich te vermaken: `Ah turis,' beaamden zij.

Sa-tì en Omo-mà keken naar de stroom verkeer in het spitsuur. Ze zwaaiden naar twee Surinaamse vrouwen op de fiets, die giechelend teruggroetten. Ze leken in hun element. Misschien waren ze opgelucht dat er in Nederland niet uitsluitend bleke missionarissen woonden. Een vrouwelijke trambestuurder vertrok met veel herrie van de halte. Een sterke vrouw die honderden mannen, vrouwen en kinderen achter zich aan de stad doorsleurde.

Het woord beeldenstorm kreeg onvoorzien een nieuwe betekenis bij het aanschouwen van de ravage die de wind in het park had aangericht. Her en der verspreid lagen afgerukte takken en omgewaaide bomen. Bovenop een oude treurwilg stond een stel blauwe reigers, benauwde kreten slakend alsof zij gewurgd werden. Weinen, klagen, sorgen, dat drukte de boom uit in heel zijn voorkomen. Treurwilg, weeping willow. Pohon menangis, huilboom, dat kwam er nog het dichtste bij. We passeerden het bronzen beeld van Vondel die een fantastische lap stof om zijn schouders geslagen had en liepen langs de vijver waarop ik leerde schaatsen.

Steentijd, ijsvrij, geen tijd. Wat was er gebeurd? Dit was het visioen waarop ik jarenlang had gewacht: twee bevriende Asmatters in dit park. Ze liepen ontspannen voor ons uit met soepele tred, niet op weg naar iets. Ze waren waar ze waren. Sa-tì, een vooraanstaande figuur in Sawa-Erma en omstreken, had de leiding en liep voorop. Enkele meters daarachter volgde Omo-mà, niet onderdanig maar zich wel bewust van zijn positie als jongere broer. Ongeveer een meter zestig lang, beschaafde gezichten, gespierde ledematen. Ze kregen direct na aankomst geschikte kleding: overhemd, spijkerbroek, colbert en gymschoenen.

De broers verlieten het grindpad om enkele bladeren van brandnetels te plukken, knoopten hun overhemd open en wreven de bladeren over borst, rug en schouders. Prikt dat niet? Natuurlijk prikt het. Dat is de bedoeling ook, maar dit zijn slappe brandnetels, zei Sa-tì. Jeukblad voor beginners, bevestigde Omo-mà. Ze knoopten hun overhemden weer dicht en liepen verder. Het hadden twee blueszangers uit New Orleans kunnen zijn, maar wat moest een zanger met een bijl? En waarom droegen ze om hun nek een ketting met tientallen hondentanden?

Engel met hond

De eerste nacht in Nederland verschenen in hun dromen hun overleden ouders. Ze spraken geruststellende woorden: jullie zijn daar in goed gezelschap. Jullie gaan een fijne tijd tegemoet. Sindsdien voelden ze zich veilig en konden zij zich richten op wat hen te doen stond: hout zoeken en beelden maken. Kinderen renden op een speelweide achter een bal aan. Trage duiven, verdoofd door narcotisch strooigoed, waren op geen enkele manier voorbereid op de komst van deze alerte Asmatters. Ze vroegen erom te worden gegrepen. Een geblondeerde engel op rolschaatsen reed zwierend met een aangelijnde hond op Omo-mà af. De engel was naakt, op zijn zilveren vleugels en schaambedekking na, maar riep geen vragen op. In de Asmat is het vergeven van de engelen sinds de katholieke missie zich daar in 1953 vestigde. Nee, die hond, die hond.

Mocht die soms niet los van de engel omdat hij te gevaarlijk was? Omo-mà haalde zijn fototoestel uit zijn binnenzak en nam drie close-ups van de kwispelende hond.

Toch maakten ze er weinig haast mee greep te krijgen op Nederland, erachter te komen hoe wij leven, iets te weten komen over onze geschiedenis. Sa-tì en Omo-mà leefden geconcentreerd verder in hun eigen wereld. Ze zochten buigzaam hout voor beelden om voorouders uit te hakken. Die moesten herdacht worden, tevreden blijven, maar vooral dichterbij komen. Een wow-ipit maakt een beeld niet in de eerste plaats om anderen van te laten genieten, maar om het evenwicht met de geestenwereld te bewaren, of als dat verstoord mocht zijn, te herstellen. Hoe maak je beelden buiten de context van de herdenkingsfeesten waarin zij hun eigen plek hebben? Hoe gebruiken we deze omgeving om dat doel te bereiken? Die vragen leken prioriteit te hebben, maar waarschijnlijk waren het niet eens vragen. Ze wisten wat hen te doen stond en deden alles zonder enige aarzeling.

Op een grasveld lag een omgewaaide es. Ze liepen erheen, hoorden geritsel in het struikgewas, bleven een moment doodstil staan luisteren. Een schuwe merel sloeg alarm en vluchtte. We lachten. Sa-tì wees naar het ijzeren naamplaatje dat op de stam gespijkerd was: gewone es. Fraxinus excelsior. De naam van de boom, verduidelijkten we. Bij ons dragen de bomen de namen in zichzelf, antwoordde Sa-tì peinzend. Dat is hier ook zo, maar de mensen zijn de namen van de bomen vergeten, vandaar. Wat zullen ze straks vertellen als ze weer thuis zijn, begon ik me af te vragen: onze vrienden wonen in huizen zoals de schepen die het gekapte hout ophalen uit ons regenwoud. Je moet eerst hoge trappen opklimmen voordat je in de luchtkamers komt. In de rivieren blijft het, als ze tenminste niet al zijn dichtgegooid, altijd hoog water. In de winkels verkopen ze niet alleen kleren, walkmans, bijlen en beitels, maar zelfs aarde in plastic zakjes. Honden worden door engelen aan de lijn gehouden, de mensen zijn de namen van de bomen vergeten en roken mag alleen op je eigen kamer. Kon ik hun reisverslag maar horen, want voorlopig bleef het een raadsel wat er in hun hoofden omging.

Dode

Zagen jullie eerder een boom mens worden? Dit is goed hout om in te hakken, zei Sa-tì, en wees een zware tak van de es aan die zich in tweeën splitste. Met enkele trefzekere bijlslagen markeerde Omo-mà welke moot van de es mee moest naar het atelier. Het beeld hoefde alleen nog maar bevrijd te worden uit het hout. Geestverwanten van Michelangelo? Wij zwegen. Hollandse vrouw zou het beeld gaan heten, de belichaming van een dode. Een beeld maken van iemand die nog leeft, is een lachwekkend idee. Dat is als rouwen nog voordat iemand is gestorven.

Sa-tì liep een grasperk op en inspecteerde een treurwilg die geknakt over de vijver bij de muziekkapel hing. Hij zette zijn voet op de stam, keek vorsend, voelde hoe stabiel de boom lag en liep tegen de stam op. Hij keurde de zijtakken en ontwaarde een belangrijke voorouder. Hij maakte niet de indruk daardoor verrast te zijn, net zomin als zijn broer. Ze zochten in dit park naar hout voor een beeld zoals we hen dat eerder in het regenwoud hadden zien doen. Er was weinig verschil te zien. Sa-tì overwoog waar de tak afgezaagd moest worden en bakende de plaats waar zich de voorouder bevond met enkele bijlslagen af.

Plantsoenendienst

Dat wij, dag in dag uit, met Omo-mà en Sa-tì meeliepen in het park, verbaasde hen ook al niet. Asmat is belangrijk, wisten zij. Zware mannen arriveerden in degelijke overalls, oorbeschermers op het hoofd, en met groot materieel om de gemarkeerde voorouders vrij te maken en te vervoeren: het team van de plantsoenendienst.

Een eendenjachthond dook naast de stam van de wilg de vijver in, zwom een rondje, en had een zetje nodig om weer op de kant te komen. Vertrouwde beelden voor een regenwoudbewoner bij het vertrouwde ronken van de motorzaag. Halsbandparkieten vlogen, druk converserend, de vijver over en verdwenen in noordoostelijke richting. Sa-tì en Omo-mà hoorden niets bijzonders. Kennelijk was dit tropische geluid te gewoon om voor op te kijken. Ook de mannen van de plantsoenendienst keken niet op. Ze werkten geconcentreerd en groeiden in hun rol. Plotseling kregen ze in de gaten dat dit de performance van hun leven aan het worden was. De voorouder die zich verschanst had in een zijtak van de treurwilg werd vakkundig afgezaagd en op de laadbak van hun vrachtwagen getakeld. Even later vertrok het gezelschap naar de es om de Hollandse vrouw te ontzetten.

De tak waarin zij zich bevond, was te zwaar om te tillen. Er moest een tractor komen om haar naar de laadbak van de vrachtauto te slepen. Vijf kerels in vol ornaat met motorzaag, breekijzers, touwen, takelinstallatie, tractor. Leven met andermans voorouders is geen eenvoudige zaak.

Waar was de jaarring van 1963 in deze essenstronk? Het geboortejaar van Omo-mà, het jaar waarin de Indonesiërs de herdenkingsfeesten van de Asmat, die werden geassocieerd met bloedwraak, verboden. Het jaar ook dat ik hier leerde schaatsen. Een kever nam, dwars door de jaren zeventig heen, de kortste weg naar het kernhout. Ik raakte de tel kwijt. Intussen stonden Sa-tì en Omo-mà er, met de handen op de rug, ontspannen te kijken, alsof het vanzelfsprekend was wat hier gebeurde. Het was hun volledig ontgaan dat er lang was onderhandeld om de mannen van de plantsoenendienst over te halen zich in te zetten voor twee wow-ipits. De werklieden hadden hun plannen voor die dag volledig moeten wijzigen. De Hollandse vrouw die naar de vrachtwagen werd gesleept, ploegde een diepe voor in het grasveld, voordat zij voorgoed het park verliet en in de laadbak vertrok naar de Asmatvrijplaats in de Jordaan.

Toen de Nederlanders in de Asmat kwamen, vertelde Sa-tì, veranderden onze waarden. Ze kochten hout en betaalden redelijk. Toen begin jaren zestig de Indonesiërs kwamen, ontstond er onrust. Met hun `nieuwe orde' namen ze van alles, doodden mensen en verbrandden de mannenhuizen. Feesten werden verboden en sacrale voorwerpen geconfisqeerd. Tenslotte merkten de voorouders dat ze niet langer gewaardeerd werden, ze werden boos. Ze waren bang voor de nieuwe wapens en voelden zich niet langer vrij.

Sa-tì en Omo-mà interesseerden zich voor de geschiedenis van de Asmat. In het depot van het Wereldmuseum Rotterdam bekeken ze aandachtig de tientallen schilden, beelden, peddels, zielenprauwen en geestenpakken die in de loop van de afgelopen eeuw door Nederlanders waren verzameld en hier lagen opgeslagen. Ze herkenden de slag van snijden van wow-ipit Takarès, een groot beeldhouwer uit hun eigen dorp en zogen de tekening die hij in een peddelblad had gebeiteld in zich op. Ook drie zeldzame bidsprinkhaanfiguren die in het begin van de twintigste eeuw in hun gebied waren verworven, werden door de conservator Oceanië te voorschijn gehaald. Voorzichtig pakte hij er een beet met smetteloos witte handschoenen en overhandigde het aan Sa-tì. Die nam het beeld aan met blote handen alsof het een gebruiksvoorwerp was. Bekeek het met een intense en nieuwsgierige blik, betastte en streelde het en knuffelde het tenslotte als een dierbaar familielid dat hij jarenlang niet had gezien.

Omo-mà stond erachter, met neergeslagen ogen, beschroomd af te wachten. Het was de taak van Sa-tì als eerste contact te maken met deze verre voorouder. Het begon tot ons door te dringen dat er uit deze periode in de hele Asmat geen enkel beeld meer te vinden is. Na het bezoek aan dit depot, waarin zich een van de mooiste en omvangrijkste Asmatverzamelingen ter wereld bevindt, wisten Sa-tì en Omo-mà zeker dat ze weer zo wilden gaan snijden: asli, oorspronkelijk.

Enkele dagen na het bezoek aan het depot was de Hollandse vrouw uit het essenhout bevrijd. De tuindeuren van het atelier stonden open en ze werd beschenen door de middagzon. Ze lag op haar rug in haar eigen jas, een bed van houtsplinters. De Hollandse vrouw lag in haar eigen verleden, maar was nog niet voltooid. De uiterlijke vorm was klaar en haar lichaam was witgekleurd met schelpenkalk. De scarificaties waren pas gedeeltelijk ingesneden en met rode oker gekleurd. Sa-tì en Omo-mà werkten samen aan het beeld en hielden een korte pauze. Sa-tì rookte een sigaar, Omo-mà een filtersigaret. Ze genoten van hun rookwaar en dronken er een glas coca cola bij. En terwijl zij uitrustten, beluisterden ze bandopnamen uit Sawa-Erma. Gemaakt toen zij in hun eigen dorp werkten aan een ander beeld. Vertrouwde geluiden: bijlslagen, gebeitel, hun eigen stemmen, kinderen die in de buurt van de beeldhouwers aan het spelen waren. Het geklapper van de vleugels van de tamme kaketoe, die ten tijde van deze opnamen nog niet spreken kon, maar inmiddels Papoea merdeka, Papoea onafhankelijk, roepend door het dorp vliegt. Plotseling veranderde de gedaante van Sa-tì en werd hij droevig. Hij snikte zachtjes, terwijl hij geheel in gedachten verzonk. We zwegen een tijd, totdat hij opkeek en gebaarde dat het over was: de stem van een vrouw die enkele jaren geleden overleed, verduidelijkte hij.

Missen jullie het dorp? Omo-mà: nee, we hebben het naar onze zin. Jullie zijn bij ons. Er is genoeg te eten. We missen het dorp niet. Het missen begint overmorgen.

Een beeld dat Omo-mà en Sa-tì uit Vondelparkhout sneden is te zien op de Asmat-afdeling van Volkenkundig Museum Nusantara, St. Agathaplein 4, Delft. Di t/m za 10-17u, zo 13-17u. Ma gesloten.

Vanaf 26 november zijn Asmatbeelden uit het dorp van Omo-mà en Sa-tì te zien in de nieuwe opsteling van het Wereldmuseum aan de Willemskade in Rotterdam.