De droom is mooi, het leven zuur

Twee zielen wonen in de borst van J. Rentes de Carvalho. De ene loopt over van liefde voor het Portugese dorpsleven, terwijl de andere terugdeinst voor de grenzeloze bekrompenheid ervan. De eerste heeft van de nood in het dorp van zijn jeugd een deugd proberen te maken door er beschaafde toeristen naar toe te lokken. De tweede schrijft er keer op keer over in zijn boeken en wel op zo'n manier dat de toerist er juist weer door afgeschrikt zou kunnen worden. Achter een vriendelijke of beleefde façade verbergt de gemiddelde Portugees, als wij Rentes mogen geloven, een fikse dosis agressie, jaloezie en achterdocht. Hij zou wel weg willen uit zijn geboortedorp, maar het komt er niet van. Of hij gaat wel en keert later met hangende pootjes weer terug.

In Rentes' nieuwe roman, De Hollandse minnares, zijn we weer op vertrouwd terrein. De naamloze hoofdpersoon, een leraar geschiedenis, keert elke vakantie terug naar zijn geboortedorp, in Tras-ós-Montes, de streek waar Rentes zelf vroeger ook de schoolvakanties doorbracht. Maar hij geniet op den duur alleen nog van zijn dagelijkse wandelingen door de serra en van de lange gesprekken die hij er voert met zijn jeugdvriend Amadeu, die de Kat wordt genoemd. Hij staat op gespannen voet met de dorpsgenoten die hem maar een raar heerschap vinden. Waarom neemt hij bijvoorbeeld zijn vrouw nooit mee en waarom heeft hij videoapparatuur en eigenaardige fotoboeken in zijn huis staan?

Bij stukjes en beetjes wordt ons het drama van zijn leven verteld: kostschool, slecht huwelijk, vervelende baan, aan lager wal geraakte kinderen, een voorliefde voor minderjarige meisjes, die hem al een paar keer met de politie in aanraking heeft gebracht. Nu hij tegen de zestig loopt, realiseert hij zich eens te meer hoe weinig er van zijn leven is terechtgekomen. Hij is jaloers op de Kat, een tandeloze, kromgegroeide, ongeschoolde schaapherder, eveneens ongelukkig getrouwd, die althans vróeger het grote geluk heeft mogen smaken: een langdurige, hartstochtelijke verhouding met een Nederlandse vrouw toen hij als gastarbeider in de Amsterdamse haven werkte. De leraar zuigt de brokkelige verhalen van zijn vriend op alsof het zijn eigen herinneringen zijn en maakt ze in zijn fantasie nog mooier. Op den duur ziet hij steeds meer zichzelf als de aanbedene van de Hollandse minnares.

Alles draait hier om de onoverbrugbare kloof tussen droom en daad, fantasie en werkelijkheid, verlangen en feit. Het verhaal over de minnares klopt niet helemaal, zoals de leraar hoort van de Nederlandse dochter van de Kat, na diens plotselinge, onfortuinlijke dood. De hartstochtelijke verhouding blijkt niet meer te zijn geweest dan een slippertje, een tussendoortje voor de Hollandse minnares die al trouwplannen had met een man van haar eigen stand. Het kind dat uit het slippertje voortkwam werd erkend door haar wettige echtgenoot en de Kat kwam er niet meer aan te pas. De 24-jarige dochter blijkt, net als haar moeder indertijd, wel in te zijn voor wat vrijblijvende seks met een Portugees, zodat de geschiedenisleraar voortaan zijn hoogsteigen herinneringen kan koesteren aan een Hollandse minnares.

Er zitten mooie tragische kanten aan de roman. Zoals de schaapherder die zijn leven lang als diepste wens koesterde om postbode te worden, `met uniform, pet en leren tas', een toch betrekkelijk bescheiden wens die nooit in vervulling zou gaan. Of de geschiedenisleraar die zich als jongen voornam om met volle teugen van het leven te gaan genieten, maar dat nooit aandurfde. De omstandigheden zaten ook niet mee: al vroeg werd hen door ouders en andere volwassenen duidelijk gemaakt dat men in het leven niets heeft aan dromen en idealen, of vage zaken als liefde en vriendschap.

Rentes heeft al vanaf zijn debuut een scherp oog voor de verschillende manieren waarop mensen elkaar het leven zuur kunnen maken. Maar er is ook wel een verschil tussen zijn eerste roman Montedor, uit 1968, en De Hollandse minnares, ruim dertig jaar later. Toen Montedor in 1988 vertaald werd uit het Portugees, werd Rentes geprezen om zijn sobere stijl en zijn beknoptheid. Van die soberheid valt hier en daar nog wel iets te bespeuren, maar de roman als geheel blinkt zeker niet uit door beknoptheid.

De Hollandse minnares speelt zich af in een bekende omgeving, aanlokkelijk beschreven, maar de romanfiguren komen wat minder goed uit de verf. Hun gedachten- en gevoelsleven doen iets te gezwollen aan om te kunnen overtuigen. Al na een paar bladzijden is duidelijk dat de geschiedenisleraar een ongelukkig mens is, maar steeds opnieuw moeten we lezen over de `bekrompen sleur' van zijn bestaan, zijn vele `gemiste kansen' en zijn slechte huwelijk: een `ondoordachte stap' die `resulteert in levenslange opsluiting'.

De Hollandse minnares loopt over van gevoelens: van verlangen, hoop, angst, teleurstelling, jaloezie en spijt. Dat zou niet erg zijn als ze ons niet zo nadrukkelijk onder de neus zouden worden gewreven. vaak vergezeld van plechtstatige woorden. Het lijkt wel of Rentes deze keer niets aan het toeval wilde overlaten. Werden de zwarigheden van het leven in een roman als Laurentiusstranen (1990) nog met een zekere luchthartigheid behandeld, nu krijgt de lezer ze zonder ironie, maar met pathos opgediend. Als zijn hoofdpersoon een dorpsgenote ontmoet met wie hij vroeger bevriend was, denkt hij: `datgene wat ons verbindt, bezwijkt onder het tumult van de woordloze bekentenissen die ons kapotmaken'. We weten dan genoeg: dit komt nooit meer goed. En zo bewondert hij de schoonheid van het Amsterdamse meisje: `met een vervoering waarin alle begeerte van mijn hele leven besloten ligt'.

Is deze overdadige stijl van Rentes zelf, vroeg ik me weer eens af, of houdt vertaler Harrie Lemmens van de wat verknooptere zin? In Vrij Nederland gaf Rentes onlangs een duidelijk antwoord op deze vragen. ``Ik heb precies in mijn hoofd wat hij gaat vertalen.'' We zullen hem dus zelf verantwoordelijk moeten stellen voor deze weinig geserreerde levensbeschrijving van een man van de serra, die net als zijn schepper, zijn hart óók heeft verpand aan Amsterdam.

J. Rentes de Carvalho: De Hollandse minnares. Uit het Portugees vertaald door Harrie Lemmens. Atlas, 240 blz. ƒ39,90