`Alles verdwijnt hier in de vuilnisbak'

Morgen wordt in het Stedelijk Museum de `eerste geautoriseerde biografie' van schilder Karel Appel gepresenteerd. Een gesprek met de kunstenaar, die even in Nederland is.

Voor iemand die net een heupoperatie heeft ondergaan, loopt hij opmerkelijk kwiek. ,,Mijn kunstheup doet 't prima. Daar loop ik soepeler mee dan met mijn andere been met mijn eigen heup'', zegt de 79-jarige kunstschilder Karel Appel.

,,Ziet er nog goed uit, hè'', zegt hij en wijst op een wandschildering in de restaurantzaal van het Amsterdamse hotel The Grand, gevestigd in het voormalig hoofdstedelijk stadhuis. Achter een groot beschermend glas is daar fris, alsof het gisteren op de muur is gezet, Appels wandschildering Vragende kinderen uit 1949 te zien.

Het lijkt onvoorstelbaar dat dit poëtische schilderij, in zachte blauwe en citroengele kleuren, in 1949 voor schandaal zorgde. Het hotelrestaurant was toen nog de koffiekamer van het stadhuis. De Amsterdamse ambtenaren konden hun boterhammen niet meer door hun keel krijgen van de schrik met dat – voor die tijd schokkende, wilde – schilderij aan de wand. Ze smeten er koffie tegenaan. Ze bekrasten het. En onder druk van de protesten besluiten burgemeester en wethouders de wandschildering weg te laten werken met de witkwast.

Voor de toen 27-jarige Appel, die amper een cent had, was dat een reden te meer om zich kort daarna bij kunstbroeders in Parijs aan te sluiten.

Die Vragende kinderen-affaire en de jonge jaren van Karel Appel in zijn geboortestad Amsterdam worden gloedvol beschreven, gedocumenteerd met briefjes van Appel en krantenknipsels, in de eerste geautoriseerde biografie van Appel, die morgenochtend in het Stedelijk Museum Amsterdam gepresenteerd wordt. Aan Appel en Rudi Fuchs, directeur van het Stedelijk, die Appel in het voorwoord van Karel Appel, de biografie (uitgeverij Contact) `een van de belangrijkste Nederlandse kunstenaars van de twintigste eeuw' noemt.

De schrijfster van de biografie, kunstcritica Cathérine van Houts van Het Parool, overleed vorig jaar juni op 43-jarige leeftijd, terwijl het boek bijna af was. Haar man rondde de door haar voltooide hoofdstukken af. Vandaar dat het boek loopt van Appels geboortejaar 1921 tot 1989.

Appel is blij met het boek. ,,Het zijn natuurlijk niet mijn eigen woorden'', zegt hij, ,,maar Cathérine schrijft gedreven over kunst, en dat zie je weinig.'' Ze is bij hem op bezoek geweest in zijn huizen en ateliers in New York, Zuid-Frankrijk, Monaco en Italië. ,,De meeste mensen gaan uit van het idee dat je één huis moet hebben. Ik heb dat nooit gehad,'' zegt Appel, die zoals we in de biografie kunnen lezen, door zijn vader, kapper in de Amsterdamse Dapperstraat, het ouderlijk huis werd uitgezet omdat deze het kunstschildersberoep geen echt vak vond.

,,Ik heb altijd gezworven. Voor de oorlog ben ik in Noorwegen geweest, met een vrachtschip mee. In de oorlog in Brabant en Drenthe. Ik heb eigenlijk maar drie of vier jaar in Amsterdam geschilderd'', zegt hij over zijn roemruchte tijd als lid van de CoBrA-beweging. ,,In Amsterdam viel niets te verdienen als kunstenaar.''

Appel houdt van de hoofdstad, nog steeds – maar de sfeer van kunstkenners en critici vond hij provinciaals. ,,Zulke stapels met negatieve kritieken heb ik'', zegt hij met zijn hand hoog boven de tafel. ,,En maar een klein stapeltje positieve.''

De biografie van Van Houts is de weerslag van de ontwikkeling van Appels kunstenaarschap in een halve eeuw. We volgen hem op zijn vele reizen, bezoeken aan steden. ,,Steden inspireren me. Ik loop rond, ik kijk. En dat verwerk ik in mijn kunst. Ik zoek altijd nieuwe impulsen. Dat was zo in Parijs, en in New York. New York is een onaffe stad: tussen de wolkenkrabbers liggen stukken braak, waar niets gebouwd is. Dat viel mij op toen ik daar voor het eerst kwam. Dat heb ik verwerkt in mijn schilderkunst: ik ben op onbewerkt linnen gaan schilderen, ik liet er plekken in open. Ik maakte onaffe schilderijen, zoals New York een onaffe stad is. Zo verandert mijn werk steeds. Ik ben al lang niet meer een CoBrA-schilder, zoals ze in Amerika altijd denken.''

De tijd dat Appel wegens armoe op meelzakken moest schilderen, zoals hij in zijn beginperiode in de CoBrA-tijd deed, ligt ver achter hem. Naarmate zijn ster rees groeide ook in het vaderland de waardering en belangstelling voor hem.

In 1974, als het Van Gogh-museum in de hoofdstad net geopend is, vat de gemeente Amsterdam het idee op om een Karel Appel-museum op te zetten. Appel is bereid zijn collectie (,,Ik heb altijd veel bewaard'') te schenken, en wil graag een kleurig beeldhouwwerk voor de gevel maken. Er worden uitvoerige plannen gesmeed, Appel wordt betrokken bij besprekingen. Daarna willen ook Hoogeveen, Oss en Apeldoorn een Appel-museum. Maar Appel geeft de voorkeur aan zijn geboortestad.

Alleen, als het puntje bij paaltje komt, ziet de raad er niets in: het hele project wordt afgeblazen. ,,Ik wilde wel, maar de politiek zag er niks in. En zo gaat het nog steeds'', zegt Appel nu, 26 jaar later. ,,In Almere wilden ze onlangs nog een Appel-museum, in Zeeland zou ik meedoen aan een museum ontworpen door Aldo van Eyck. Ze komen enthousiast bij me, er komt een comité, ik moet mee locaties bekijken, ik bied aan gratis sculpturen te maken, of ik wil een deel van mijn werk afstaan, en uiteindelijk komt er nooit iets van terecht. Meestal hoor ik er niets meer van. De beleefdheid om me in een briefje te melden dat het project van de baan is, hebben ze meestal niet.''

,,Ach ja, zo gaat het. In Holland verdwijnt alles in de vuilnisbak,'' zegt de schilder laconiek. Zo ging het met een boomstam die hij beschilderd had, die tot de collectie van het Stedelijk behoorde. Die werd in een vuilcontainer gevonden, aan mootjes gezaagd. Dat gebeurde ook met een deel van zijn sculpturen van afvalhoutjes en dergelijke uit de CoBrA-tijd, die hij ergens op zolder opgeslagen had. ,,Er waren wolken bij die ik van gips had gemaakt. Die zijn verdwenen.'' Een deel van de CoBrA-tijd-sculpturen die van de schroothoop zijn gered, zijn nu in het Stedelijk Museum te zien.

Daar hangen ook grote nieuwe doeken van hem, in de erezaal, die hij recent maakte. ,,Het is eigenlijk toeval dat ik weer wat langer in Nederland was. Ik moest aan mijn heup geopereerd worden, en daar was in New York een hele lange wachtlijst voor. Terwijl ik in Nijmegen zo geholpen kon worden.'' Vandaar dat hij in Nederland neerstreek.

In zijn revalidatieperiode bezocht hij streken van Nederland waar hij vroeger nooit geweest was: de Noord-Hollandse duinen, de polders. En die inspireerden hem zichtbaar, zoals met name op de lange wand te zien is, waar 13 grote `Hollandse landschap'-doeken hangen, van 2 bij 2,5 m. ,,Dat is mijn maat. Die kan ik net beetpakken en versjouwen. Je moet gespierd blijven als schilder natuurlijk'', zegt hij.

Hij vond het leuk in Nederland, maar hij is niet van plan zich er permanent te vestigen. ,,Ik ben een oprisping van de kosmos'', zei hij ooit. Appel wil zich niet binden aan een plek. Over zijn geboortestad laat hij zich mild uit. ,,De sfeer is er familiaarder dan vroeger.'' Hij vindt het alleen jammer dat ze zoveel pleinen, zoals het Waterlooplein, `dichtbouwen' en dat de markten verdwijnen. ,,Dat vond ik altijd het mooiste. De levendigheid van markten, de kleuren, de mensen, en het licht dat ze 's avonds aanstaken. Van dat mooie, witte carbidlicht. Dat is het mooiste licht dat ik ken. Maar dat gebruiken ze niet meer.''

Recensie: pagina 33, Boeken