Wie-van-de-drie-spel om dure benzine

Wil de echte boosdoener opstaan? In het internationale wie-van-de-drie-spel rondom de hoogte van de benzineprijs zijn er drie kandidaten, die elk hun deel van de literprijs aan de pomp voor hun rekening nemen. Kandidaat één: de olie-exporterende landen, grotendeels verenigd in de bijna veertig jaar oude OPEC. Kandidaat twee: de oliemaatschappijen, waarvan de belangrijkste bijna een eeuw oud zijn. Kandidaat drie: de ministers van Financiën, die doorgaans voor vier jaar zijn benoemd.

Van de 2,63 gulden waarvoor Euro 95 loodvrij aan de pomp wordt verkocht komt 0,60 gulden voor rekening van de inkoopprijs voor ruwe olie, waarvan de Opec de grootste producent is. Vandaag kwam de prijs van ruwe olie op het hoogste peil in de afgelopen tien jaar. Mocht de prijs morgen voor de twintigste achtereenvolgende dag boven de 28 dollar per vat komen - bijna ondenkbaar dat dit niet gebeurt - dan mag de Opec volgens eigen afspraak de productie verhogen. Een bedrag van 29 cent (volgens Shell) dan wel 32 cent (volgens Economische Zaken) is de distributiemarge, ofwel het bedrag dat de pomphouders en de oliemaatschappijen doorberekenen. Shell laat daarbij aantekenen dat de brutowinst voor de oliemaatschappij daarin 3 cent bedraagt.

Aan accijnzen en andere heffingen incasseert de Nederlandse staat een bedrag van 1,29 gulden (EZ) dan wel 1,32 gulden (Shell). De schatkist wordt verder gevuld met een bedrag van 39 cent per liter aan btw-heffing, die nu nog 17,5 procent bedraagt.

Met de herziening van het belastingstelsel, waarbij arbeid goedkoper wordt en consumptie duurder, stijgt de btw volgend jaar naar de 19 procent. Dat betekent dat de benzine volgend jaar — uitgaande van de huidige prijs — aan de pomp 4 cent duurder wordt. Daarmee wordt in Nederland minister Zalm (Financiën) — als het ware opvolger van Kok die nu nog genoemd wordt in verband met het `kwartje' waarmee hij ooit de benzine duurder maakte — een sterke kandidaat in het wie-van-de-drie-spel.