Venetië vol met dubbele bodems

Op het Filmfestival van Venetië zijn diverse regisseurs op zoek naar vernieuwing. Peter Greenaway wil een nieuwe `filmtaal' ontwikkelen, Woody Allen lanceert een spervuur van grappen over cultureel snobisme.

Tweeënnegentig koffers neemt Tulse Luper op zijn reizen mee. Tweeënnegentig, omdat dat het atomic number van uranium is. En A Fictive History of Uranium is weer de ondertitel van het ambitieuze multimediaproject The Tulse Luper Suitcase dat de Engelse filmmaker Peter Greenaway gisteren op het Filmfestival Venetië presenteerde. Het omvat een speelfilmtrilogie, die hij op uitnodiging van het festival de komende jaren in Venetië in première zal laten gaan, aangevuld met een televisieserie, tentoonstellingen, boeken, dvd's en een website. De Engelse getallenfetisjist-encyclopedist-cineast oreerde als een professor bij de persconferentie voor wat `de eerste film in de afgelopen 105 jaar' moet worden. Greenaway, die de filmgeschiedenis tot nu toe beschouwt als een verzameling `geïllustreerde teksten of beeldromans' denkt met The Tulse Luper Suitcase hetzelfde voor de filmkunst te doen als James Joyce met Finnegan's Wake voor de literatuur, namelijk `de filmtaal gebruiken om nieuwe vertelvormen te ontwikkelen.' En niet andersom, zoals in de door hem verfoeide Hollywood-machinerie.

Grootspraak voor iemand wiens laatste film 8 1/2 Women zelfs als `geïllustreerde tekst' teleurstelde. De twee videofilms die hij als voorproefje vertoonde waren helderder in hun esthetiek. Greenaway gaf ook aan in The Tulse Luper Suitcase terug te willen gaan naar locaties uit eerdere films, waaronder het Rome van The Belly of an Architect en Venetië zelf.

Ook Woody Allen keerde in zijn buiten competitie vertoonde film Small Time Crooks, een verbaal, fysiek en visueel virtuoze slapstick over kruimelcriminelen en de Amerikaanse Droom, even terug naar Venetië. Eerder nam hij hier delen van Everybody Says I Love You op, nu waren de `kerken en ruïnes' van de oude wereld een geschikte setting voor een spervuur van grappen over cultureel snobisme. Vooral de scènes waarin Allen licht snurkend een avantgardistische toneelvoorstelling uitzit en Italiaanse Renaissance-schilders alleen uit elkaar houdt door de grootte van de lijst, zorgden voor veel hilariteit.

Er zitten veel van dit soort dubbele bodems in de hier vertoonde films. Acteur Ed Harris (Apollo 13, The Truman Show) maakte zijn regiedebuut met een biopic over schilder Jackson Pollock. Pollock (in competitie voor de Luigi de Laurentiis Prijs voor een eerste film) raakt niet helemaal aan de manische gedrevenheid van de uitvinder van de action painting. Nauwkeuriger is hij in zijn vaststelling dat achter die waanzin een eigen systeem schuilt.

Pollocks zoektocht naar andere manieren van schilderen is heel actueel op een festival waar vernieuwing vele vormen kan hebben. Woody Allen doet het van binnenuit, met een beroep op zijn vakmanschap, Greenaway van buitenaf, door te theoretiseren. Gestaag en door een steeds breder publiek erkend, werkt de Litouwse filmer Sharunas Bartas (Few of Us, The House) ondertussen aan zijn volstrekt unieke filmverhalen. Het oncompromisloze Freedom is de indrukwekkendste competitiefilm tot nu toe. Hij voerde Bartas van het koude en grauwe Oost-Europa naar Marokko. Er is kleur gekomen in zijn wereld, maar zijn kadervullende shots van zandstormen, meeuwen in hun vlucht of duizend dobberende roeibootjes worden nooit bonte prentbriefkaarten. Weer zijn de hoofdpersonen de laatste mensen op aarde en de met subtiel tegenlicht gefilmde beelden krijgen gemene rouwranden. De wonderschone golven in het zand snijden door de huid van zijn gestrande reizigers. De natuur kent geen mededogen. Terwijl zij sterven, moet je lachen om de waggelende krabben, flamingo's en hagedissen die als een circusoptocht het beeld uit marcheren.