Slaven van de klei

Oma heeft misschien nog een ragfijn theekopje, in het restaurant om de hoek staan reusachtige vazen en op de schoorsteen prijkt soms een klein vissertje. Iedereen kent wel voorbeelden van Chinees porselein. Waar wordt het gemaakt en door wie, een portret.

Als een goochelaar tovert meester Jin een theebeker uit de natte klei. Hij druk z'n handen samen, en maakt de zandkleurige kelk van een bloem. Zijn geaderde handen werken als mallen van vlees die kunnen sturen en begrenzen. Het zijn drukmeters die weten of de klei meer of minder weerstand behoeft. Na tien minuten draaien staan er tien identieke bekers. Dan komt er leven in het gezicht van Jin. Hij lacht zijn scheve tanden bloot en maakt zichzelf een compliment; kleitrekkers zoals hij, die zijn er niet veel.

Het is een compliment uit louter armoede. Jin, die met veel kundigheid klei draait, staat onder aan de ladder in de wereld van de Chinese porseleinindustrie. Hij en zijn collega-draaiers zijn misschien bijzonder in de ogen van een buitenstaander, maar niet in de werkplaatsen van Jingdezhen. In de tweeduizend jaar dat hier in de Zuid-Chinese provincie Jiangxi aardewerk wordt geproduceerd, is veel veranderd, maar in de stoffige werkplaatsen van de provinciestad leeft de rigide rangorde onder porseleinarbeiders gewoon voort.

,,Een shifu doet het simpele draaiwerk'', zegt Qin Xilin over de draaimeesters. ,,Maar ze kunnen niet zelfstandig werken. Ze hebben ontwerpen nodig.'' Qin maakt die ontwerpen. De directeur van het Instuut voor Keramiek in Jingdezhen, de enige hogeschool in China die is gespecialiseerd in de kunst van het porselein bakken, beschildert de schalen en vazen, maar hij draait ze niet. ,,Ik leg de shifu's uit wat ze moeten maken. Daarna voeren ze mijn opdrachten uit.''

De collectie van Qin is beroemd. De donkerblauwe bamboe en de rode bloesems lijken op het eerste gezicht vooral traditioneel, maar de liefhebbers zien de persoonlijke stijl. Qin is een veel gevraagde porseleinkunstenaar, die naar eigen zeggen met zijn werk alle records voor kunstprijzen in China heeft doorbroken. Geheid dat de meesterdraaiers helemaal niets van dat geld hebben gezien.

Jingdezhen, de bakermat van de Chinese porseleinindustrie, loopt over van het miskend talent. Het zijn oude mannen, zelden vrouwen, en ze zijn te vinden op plekken als de Jianguo, een van de oudste en mooiste werkplaatsten van de stad. Daar zitten de shifu's in blauwe schorten en met een sigaret tussen de tanden over draaiende hompen klei gebogen. De mannen die hier koppen en schotels trekken van de fijne kaolin klei maken kunst van het gewone. Het zijn stuk voor stuk vakmensen. Met een behendigheid die de meesters in hen kenmerkt, draaien ze het een na het andere haarscherpe product.

De Jianguo werkplaats, genoemd naar de oprichting van de Chinese Volksrepubliek, is een reuzestap terug in de tijd. Hier wordt gewerkt op een manier die nagenoeg in geen eeuwen is veranderd. Wat onder de donkere bruine houten overkapping gebeurt, is vrijwel identiek aan afbeeldingen uit de Ming periode (1368-1644), het hoogtepunt van de porseleinindustrie in Jingdezhen. Alle stadia van de traditionele porseleinproductie zijn hier zien. Van het uitlekken van de klei in grote druiprekken tot het bakken van de koppen en schotels aan de achterkant van de schuur.

Aan de straatkant van de werkplaats, daar waar de zware klei in compacte worsten wordt binnengerold, roert een man met ontbloot bovenlijf in een grote bak modder. Daarin wordt de aarde fijngemalen en gemengd om vervolgens via een houten glijbaan in een ton op een van de druiprekken te belanden. De klei lekt net zolang uit, totdat een dik residu overblijft. De kneedmeester maakt het vervolgens hanteerbaar voor de draaimeester. Als een worstelaar neemt hij een lange rol klei met fikse meppen onderhanden en slaat, wat in Jingdezhen heet, een schapenhoofd [juan yangtou], naar de vorm die klei heeft voordat zij op de draaischijf wordt gezet.

Dan volgt het draaien, een lastig proces omdat de kaolin klei waar Jingdezhen beroemd om is makkelijk breekt. Om die reden liggen alle werkplaatsen en fabrieken stil wanneer het regent. Het vocht in de lucht maakt de klei stugger en grote vazen dreigen dan te breken. Volgens draaimeester Jin van de Jianguo zijn er maar vier maanden per jaar waarin optimaal gewerkt kan worden. In de vochtige zomer draait Jin daarom niet zoveel als in de winter, maar zijn tempo is er niet minder om. Op een lange dunne lat staan inmiddels twintig koppen opgesteld. Die verdwijnen onder het dak, waar zich rekken vol met ongebrand serviesgoed opstapelen. Geen centimeter is onbenut gelaten.

Als de bekers een dag aan de lucht zijn gedroogd, gaat de schraapmeester aan het werk. Eerst tikt hij de grote kommen en bekers in vorm op wat hier `dodemanshoofden' [sirentou] heten – houten mallen die in verschillende vormen en maten onder de werkbank liggen verspreid. Dan centreert hij met een lichte tik van zijn vinger het product op zijn draaischijf, een kunstje dat bepaald niet makkelijk is. Met verschillende hoefijzervormige mesjes, die hij zo nu en dan met een vijl aanscherpt, schraapt hij de bekers in perfecte vorm. Telkens wanneer hij zijn mes licht op het oppervlakte van een beker zet, spuit de klei in een grote straal droge korreltjes langs de schraapmeester op de grond. Zo werkt hij in één beweging van de rand tot de bodem. Met een houten passer controleert hij ten slotte de dikte en de doorsnede, maar dat blijkt overbodig – zodra hij ophoudt met schrapen, zijn de bekers perfect.

De afwerking is aan de porseleinschilders. Ze zien er welvarender uit en het is duidelijk dat de verdiensten van de porseleinproductie vooral bij hen terecht komen. Wu Tianlin werkt bij de Jianguo werkplaats ,,omdat er nergens beter wordt gedraaid dan hier''. Hij heeft een grote bestelling te verwerken van een klant uit Taiwan die zijn theeservies in een klassieke stijl wenst. ,,Dat kan alleen met de hand'', zegt Wu terwijl hij de onderkant van een theekopje beschildert met een zegel uit de Ming-periode. De kopjes moeten papierdun worden en alleen de Jiangguo kan dat, zegt Wu. ,,Maar de afbeelding die er op komt, bepaalt de waarde.''

De technieken voor de productie van het porselein blijken niet bar veel veranderd. Natuurlijk zijn er inmiddels veel fabrieken waar het serviesgoed met een automatische plop van een hydraulische pomp in vorm wordt gedrukt en gedraaid. Maar wie een bezoek brengt aan het Jingdezhen Pottenbakkersmuseum, een voor Chinese begrippen opmerkelijk goed gelukt openluchtmuseum, kan zien dat de Jianguo en vele andere werkplaatsen nog opereren op een manier zoals die vele honderden jaren is gepraktiseerd.

Het grote verschil met de porseleinproductie van duizend jaar geleden is de manier van bakken. De antieke voorgangers van een meesterdraaier als Jin stookten hun producten in moeizaam te temperen houtovens. Nu gebeurt dat in gas- en steenkoolovens. Het museum laat de gigantische bakovens zien. `Drakenovens' heten ze, naar de zeventig meter die ze beslaan. Het duurde vijf dagen voordat de kaolin klei in porselein was veranderd, en er waren zeventig arbeiders voor nodig om de houtovens op een temperatuur van bijna 1300 graden te houden. Geen wonder dat al het bos in de heuvels rond Jingdezhen is verdwenen.

Het porselein uit Jingdezhen was wereldberoemd en serviesgoed uit de stad werd al in de twaalfde eeuw, toen zo'n driehonderd ovens en drieduizend arbeiders werden ingezet, naar landen als Korea, Japan en Egypte geëxporteerd. Het mooiste serviesgoed bleef achter in China. Het beste van het beste ging naar de keizer. Chinese keizers hebben zich lang door de porseleinmeesters van Jingdezhen laten bedienen. Keizerlijke ovens produceerden exclusief voor het hof, waarbij een strenge selectie werd gemaakt. De roep om perfectie ging zo ver dat tijdens de Ming uit honderd exemplaren slechts één product werd gekozen. De rest werd onverbiddelijk kapotgegooid omdat niemand behalve de keizer het servies met keizerlijk zegel mocht hanteren.

De plekken waar de scherven onder de grond liggen zijn berucht. Ze bevinden zich midden in de stad en zijn tot de dag van vandaag verboden terrein. Dat komt omdat de scherven zoveel waard zijn. Een gebroken Chenghua kopje uit de Ming kan op een internationale veilig gemakkelijk 30.000 gulden opleveren. Een onbeschadigd Chenghua kopje overigens, tussen de vier en zes ton. Sommige handelaren hebben flink wat voor die potscherven over. Zo zijn er ondergrondse gangen naar het terrein ontdekt en hebben zich op die bewuste plek heuse schietpartijen afgespeeld.

Jingdezhen is nog altijd de stad waar 's lands hoogste leiders cadeautjes aanschaffen voor buitenlandse staatshoofden. Maar van de glorie van eertijds is niets meer over. De meeste porseleinfabrieken, waar bijna een derde van de 1,3 miljoen inwoners van Jingdezhen op de een of andere manier aan is verbonden, verkeren, zoals veel Chinese staatsbedrijven, in staat van ontbinding. En behalve in de werkplaatsen als Jianguo wordt er weinig verfijnds meer gemaakt.

Een wat cynische, maar prettige bijkomstigheid van de economische terugslag in de stad is dat de grote staatsfabrieken opmerkelijk toegankelijk zijn. De grote porseleinfabrieken lijken op een warm en overkapt rangeerterrein. Ze stoken zonder uitzondering op kolen en zwart is er de toonaangevende kleur. Het roet zit op alles en iedereen. De smalle stegen rond de fabrieken zijn mistroostig, maar fotogeniek. Overal liggen bergen afgekeurd en gebroken porselein en achter iedere deur zit een kleine werkplaats waar een familie werk levert aan de fabriek.

In een schuur aan een nauwe steeg die grenst aan een grote porseleinfabriek, woont een familie met drie kinderen. Vader schaaft potdeksels, moeder plakt blauwe glazuursjablonen. Twee kinderen rollen door het stof op de grond. De jongste ligt in een bamboe kinderwagen en wordt met de voet van zijn moeder heen en weer gewiegd. Iedereen, ook de jongste van de familie zit onder het klei-schraapsel. De familie verdient maandelijks zo'n vijftig gulden. Maar veel blijft daar niet van over, omdat een deel van dat geld aan de fabriek moet worden betaald voor de huur van de schuur.