Ruzie om een kroonjuweel

Drie decennia na het begin van de Noorse olie- en gasbonanza staat de gedeeltelijke privatisering van de staatsoliemaatschappij Statoil op de agenda. Politiek getouwtrek rondom de uitverkoop van een `kroonjuweel'.

Ruim dertig jaar geleden kreeg Noorwegen een `kerstgeschenk', zoals Noren nog graag zeggen. Op 19 juli 1969 boorde het exploratieschip `Ocean Traveller' een oliebron aan in de Noordzee, in de zuidelijke punt van het Noorse deel van het continentaal plat. Enkele dagen voor Kerstmis bleek dat de bron in verbinding stond met een enorme voorraad ruwe olie, verborgen onder de zeebodem. De ontdekking van Ekofisk, zoals het veld werd genoemd, was het begin van de ontwikkeling van Noorwegen tot een van de rijkste landen van Europa, dank zij de export van olie en gas.

Op de wereldranglijst van olie- en gasproducerende landen staat Noorwegen als zevende producent en op twee na grootste exporteur van ruwe olie. Slechts 21 procent van de `verwachte' energiereserves is pas daadwerkelijk geproduceerd , aldus Olav Akselsen, de Noorse minister van Olie en Energie onlangs op een Offshore-conferentie in Stavanger, de `oliestad' van Noorwegen. Grote delen van de Noorse zee en van de Barentsz Zee zijn nog niet geëxploreerd. Van de resterende 79 procent zullen de reserves aan gas, de grootste in West-Europa, nog 80 tot 100 jaar geëxploiteerd kunnen worden. Ruwe olie zal nog 20 tot 30 jaar gewonnen worden. De Noorse zee (boven de 62ste breedtegraad) biedt nog grote beloften voor nieuwe belangrijke ontdekkingen.

De vooruitzichten voor Noorwegen als energie-exporteur – met Rusland de enige in West-Europa – lijken dus even zonnig en veelbelovend als destijds in 1970, toen de moderne wereld nog haar eerste oliecrisis moest meemaken. Maar de wereld verandert: British Petroleum, een van de `seven sisters' die de wereldenergiemarkt beheersten, laat de zon in het centrum van haar nieuwe logo schijnen, als voorbode van een samenleving die `Beyond Petroleum' in haar energiebehoeften voorziet. Ook Noorwegen ontkomt niet aan aanpassingen van zijn olie- en gaspolitiek, die sinds het begin gekenmerkt wordt door een grote invloed van de staat, die een protectionistisch beleid voerde. Dat proces van aanpassing, deels al in gang gezet, spitst zich de komende maanden toe op de toekomstige structuur van Statoil, de staatsoliemaatschappij die een dominante rol heeft in de exploitatie van de Noorse energiereserves.

Vooral onder invloed van de Noorse sociaal-democratische partij, die het grootste deel van de afgelopen dertig jaar in Oslo aan de macht was, hebben achtereenvolgende Noorse regeringen sinds de ontdekking van Ekofisk ingezet op `maximale waarde' voor de staat. Nog voor in 1972 Statoil (100 procent staatseigendom) werd opgericht, verwierf de regering in 1969, het jaar van Ekofisk, 51 procent van de aandelen van Norsk Hydro, een al vele tientallen jaren oude energieleverancier. Statoil (officieel: Den Norske Stats Oljeselskap) werd het belangrijkste strategische instrument om het nationale belang te behartigen. Norsk Hydro, waarin de staat thans een belang van 44 procent heeft, kreeg een overeenkomstige, maar minder belangrijke rol. Na Shell en ExxonMobil is Statoil inmiddels de grootste leverancier/verkoper van ruwe olie ter wereld, aldus Jan Hagland, woordvoerder van het Noorse Petroleum Directoraat In Stavanger. Dit overheidsorgaan bepaalt de voorwaarden bij de uitgifte van vergunningen voor exploratie en exploitatie van olie en gas op het Noorse continentale plat.

Aanvankelijk werd bij wet bepaald dat Statoil voor 50 procent moest deelnemen in de exploitatie van de olie- en gasvoorraden. De meeste Noorse olie- en gasvelden worden geëxploiteerd door maatschappijen – merendeels buitenlandse, maar ook andere Noorse dan Statoil en Norsk Hydro – die zich per exploitatie-concessie in een gemeenschappelijke onderneming hebben verenigd. In 1985 werden de belangen van Statoil in vrijwel alle belangrijke exploitatievergunningen gesplitst in twee componenten. Eén bestond uit Statoils deelneming in de commerciële activiteiten van de exploitatiemaatschappijen en de andere kreeg de vorm van het directe staatsbelang (SDFI– state's direct financial interest) in de verschillende maatschappijen.

Het staatsbelang SDFI dat door Statoil wordt beheerd, betekent dat de staat een aandeel neemt in een bepaald project, dienovereenkomstig meebetaalt aan de investerings- en operatiekosten en volgens dezelfde formule deelt in de opbrengsten. Van 1985 tot 1994 nam de staat via het SDFI-systeem consequent een belang van 40 procent of meer in exploitatieprojecten. Sinds 1996 is dit beleid iets versoepeld, en in de toekomst zal per project worden bekeken of de staat een belang wil nemen. Niettemin omvat SDFI thans circa 40 procent van alle investeringen op het Noorse continentale plat.

Sinds 1995 beschikt Noorwegen voorts over een Petroleum Fonds, dat bedoeld is als reserve voor slechte economische tijden, bijvoorbeeld als de olie-inkomsten, mogelijk al over enkele jaren, afnemen. Ook wordt dit geld weggezet en ,,buiten de economie gehouden'' om inflatie te voorkomen, een overweging die regelmatig kritiek oproept bij veel Noren die klagen over de hoge kosten van levensonderhoud en ernstige structurele problemen bij het onderwijs en de gezondheidszorg. Het fonds omvatte eind vorig jaar 222 miljard Noorse kronen, ca. 54 miljard gulden. Volgens Statoil kunnen de inkomsten van dit fonds, uitgaande van een `redelijke' prijs per vat ruwe olie (ca 20 dollar) in de komende 20 jaar oplopen tot 2.000 miljard Noorse kronen, aldus Hagland van het Noorse Petroleum Directoraat.

Statoil is – zij het bescheiden – ook buiten Noorwegen actief, o.a. in Angola en Azerbajdzjan. Om de maatschappij meer armslag te geven, wil de Noorse regering van premier Jens Stoltenberg, een sociaal-democraat, de onderneming gedeeltelijk (30 procent) privatiseren. Daarmee is 56 miljard Noorse kroon gemoeid, andermaal een aardige douceurtje voor de staat. De gedeeltelijke privatisering heeft ook gevolgen voor het beheer van het SDFI door Statoil. Vermoedelijk worden het vernieuwde Statoil en SDFI als twee aparte eenheden ondergebracht bij een nieuw op te richten holding, die uiteraard opnieuw door de staat wordt gecontroleerd. De schaalvergroting die zich in de internationale oliewereld heeft voltrokken vergt aanpassing van Statoil als de Noorse staatsmaatschappij elders in de wereld op gelijke voet met de grote concurrenten moet concurreren. Op de Offshoreconferentie eind augustus in Stavanger zei Stoltenberg: ,,Het toelaten van private eigenaren in de onderneming versterkt de positie van Statoil. Behalve verduidelijking van de rol van het staatseigendom en van de onderneming zelf, brengen nieuwe eigenaren nieuwe middelen in en krijgt Statoil op een nieuwe manier toegang tot de kapitaalmarkten.

De Noorse premier voegde daar nog aan toe dat een ,,actiever management van het SDFI nodig is om toekomstige waardecreatie veilig te stellen''. Volgens minister Olav Akselsen van Petroleum en Energie zou een deel van het SDFI moeten worden verkocht aan buitenlandse maatschappijen die in Noorwegen actief zijn. Dat voornemen wordt begroet door buitenlandse maatschappijen die in Noorwegen in het verleden de staat en Statoil vaak moesten laten voorgaan (voorbeeld: het grootste gasveld Troll, dat nog 70 tot 80 jaar in productie blijft, werd ontdekt door Shell, maar Statoil kreeg de exploitatie). Topman Dick Olver van BP Exploration, in zijn rede in Stavanger: ,,Verkoop van SDFI zou een perfecte win-win situatie opleveren. Ondernemingen krijgen belangrijke groeimogelijkheden en de Noorse regering zou profiteren van actiever management van zijn olie- en gasvoorraden.''

Veel energiedeskundigen in Noorwegen menen dat op den duur een fusie tussen Statoil en Norsk Hydro, de andere Noorse energiegigant, onvermijdelijk is. De gedeeltelijke privatisering van Statoil, waarover al ruim een jaar wordt gepraat, is dus maar een bescheiden stap. Niettemin stuit het plan op hevig verzet. De sociaal-democraten zijn verdeeld. Hetzelfde geldt voor andere partijen, zoals de Centrumpartij, die traditioneel de (zwaar gesubsidieerde) agrarische sector vertegenwoordigt. Tot verrassing van premier en partijleider Stoltenberg, zelf ooit minister van Oliezaken, hebben zich ook enkele Statoil-prominenten van het eerste uur tegen de privatisering uitgesproken. Hun motto: ,,Gooi het juweel in de kroon van de Noorse economie niet weg.''

Het partijcongres van de sociaal-democraten in november wordt waarschijnlijk beslissend voor de regeringsplannen met Statoil. Stoltenberg roeit tegen de stroom in. Volgens recente opiniepeilingen heeft de rechtse Vrijheidspartij van Carl Hagen, een jaar voor de algemene verkiezingen, nu meer aanhang bij het Noorse electoraat dan de sociaal-democraten. Als de sociaal-democraten zich niet achter hun geplaagde partijleider verenigen, dan lijkt uitstel van de Statoil-privatisering tot 2002 waarschijnlijk: de hoge olieprijs maakt dat gemakkelijk. De staat krijgt zijn inkomsten en nieuwe investeringen op het Noorse continentaal plat worden aantrekkelijk.