Onrust, strijd, desnoods oorlog

Over ruim een week gaan verdwaasde jonge mensen, begeleid door verdwaasde oefenmeesters, weer op jacht naar het goud. Is deelnemen wel belangrijker dan winnen?

In een euforische bui beweerden organisatoren en gezagsdragers na het recente Europees kampioenschap voetbal, dat Nederland nu ook de Olympische Spelen kon organiseren. Hun verstand was tijdens het volksfeest even stil blijven staan. Bedwelmd door de orgiastische atmosfeer in en rond de voetbalstadions konden ze het niet laten geheel in de stijl van de sportbeleving een nog hoger doel na te streven. Olympische Spelen dus, als het symbool van het allerhoogste goed.

Wie zilver in handen heeft, is niet tevreden. Goud willen ze hebben. Als het geen geld is dan maar goud. Brons is zeker niet voldoende. Tevredenheid en berusting, zijn ze nu helemaal gek geworden? Spanning, onrust, strijd, desnoods oorlog – dat willen ze. Citius, altius, fortius. Een boeddhist wendt vermoeid zijn hoofd af als hij deze platte wereldbeschouwing beziet.

Honderdvier jaar na de eerste moderne Olympische Spelen in Athene, beginnen over ruim een week in Sydney de eerste Olympische Spelen van de 21ste eeuw. Duizenden jonge mensen die hun lichamelijke mogelijkheden op enigerlei wijze hebben proberen te perfectioneren, melden zich daar om met elkaar de strijd aan te gaan. Stralende, enthousiaste en gedreven jeugd die niet zijn toevlucht neemt tot sex, drugs and rock&roll, maar lichaam en geest heeft ontwikkeld tot zo gezond mogelijke proporties. Zo willen we onze kinderen toch zien?

Wie jeugdige, lichamelijk valide, mensenkinderen een gouden medaille als worst voorhoudt, kan er van op aan dat hij wordt geconfronteerd met gretigheid. Als roofdieren werpen ze zich op hun prooi. Goud, goud, goud! Wie goud heeft gewonnen, krijgt toegang tot de erehemel. Goud belooft eeuwige roem, veel aandacht en alle liefde die een mens zich maar wensen kan. Verdwaasd maken jonge mensen jacht op goud, verdwaasd bereiden ze zich voor, verdwaasd laten ze zich begeleiden door verdwaasde oefenmeesters, verdwaasde bestuurders en verdwaasde sponsors, die in ruil voor hun investering ook rijkdom en roem willen vergaren.

Nog niet zo heel lang geleden huiverden we van de manier waarop sportkinderen in landen waar totalitaire regimes de toon zetten, werden klaargestoomd voor de jacht op goud. Al onder peuters vond op basis van fysieke mogelijkheden een selectie plaats. De uitverkorenen kregen een plaats op een speciale school toebedeeld waar zware sportbeoefening hand in hand ging met andere noodzakelijke vormen van pedagogiek. Vaak kregen de kinderen al op jonge leeftijd middelen toegediend die de groei van beenderen en spieren beïnvloedden. Alles ter meerdere eer en glorie van de natie en het politieke systeem die zij op internationale kampioenschappen moesten vertegenwoordigen.

De kinderen wisten niet beter dan dat zij zouden uitgroeien tot eeuwige helden. De moeite die zij en hun familie zich getroostten zou leiden tot materiële rijkdom en een plaatsje naast God in de VIP-box. Wat hadden zij voor keus in een samenleving die grauw, grijs en armoedig en zonder vooruitzichten was? Later zou pas blijken (zoals bijvoorbeeld Gritt Hartmann in haar boek Goldkinder beschreef) hoe mensonterend veel kinderen werden gehersenspoeld. Om nog maar te zwijgen van het leed dat kinderen ondergingen die geen goud haalden. Of de lichamelijke en mentale afwijkingen die zij op latere leeftijd ondervonden, als gevolg van het gebruik van groeiversterkende en -remmende hormoonpreparaten, van genetische manipulaties en andere methoden om het lichaam te perfectioneren.

Ach, dat was de Sovjet-Unie, en dat was de DDR, nietwaar? Maar dat in andere naties waarvan de vlag zo nodig op de hoogste toren moest wapperen bijna hetzelfde gebeurde, wordt liever verzwegen. De manier waarop jongens en meisjes in bijvoorbeeld de Verenigde Staten worden klaargestoomd ter meerdere eer en glorie van het volksgevoel en de stars and stripes op het Witte Huis, is nauwelijks menswaardiger. Jongens en meisjes wordt onder de neus gewreven zich af te zonderen in kampen om zich te prepareren. Ze worden gehersenspoeld en volgestopt met middelen die slijtage van het lichaam moeten tegengaan. Sporten op een boterham met een tevredenheid? Dat is niet van deze tijd. De Olympische Spelen van 1984 in Los Angeles en van '96 in Atlanta vormden het toonbeeld van Amerikaans nationalisme. Geen mens mocht beter zijn dan de Amerikaanse mens.

Going for gold is sinds LA '84 een begrip geworden in de sportwereld. Ongeveer vanaf dat jaar begon de commercie steeds meer goud te ruiken. Televisiemaatschappijen en multinationals stortten zich op de sportwereld en beloofden geld in ruil voor goud. Wie in naam van de sponsor goud wist te halen, kreeg geld toe. Was het vreemd dat jonge mensen apothekers, psychologen en wetenschappers frequenteerden op zoek naar middelen die nog meer kracht konden geven dan de natuur hun al geschonken had? Of het nu middelen zijn die de zuurstofopname in het bloed vergroten of de kracht van de spieren, of het nu kleding is die de luchtweerstand van het lichaam verkleint of pilletjes die bij spanning de neurotransmitters beïnvloeden; geen enkel middel laten deelnemers aan de Olympische Spelen onaangeroerd om goud te kunnen veroveren.

Deelnemen is belangrijker dan winnen, was het credo van baron Pierre de Fredi de Coubertin, een Franse officier die eind vorige eeuw de aanzet gaf tot de moderne Spelen. Natuurlijk is het voor veel sportmensen een eer te mogen deelnemen: trotse ouders, trotse broers en zusters. Wie kan zeggen: `Ik was erbij', komt voor het voetlicht, wordt geïnterviewd door kranten en verschijnt in Studio Sport. Maar wie goud haalt, is bijzonder. Die wacht een onthaal bij de regeringsleiders of op het koninklijk paleis. Die mag zich echt gelukkig prijzen.

Naar de traditie van de klassieke Olympische Spelen worden vooral de winnaars geëerd. De helden die tussen 776 vóór en 394 na Christus' geboorte olympische triomfen behaalden, kregen onder andere een krans van takken van de heilige olijfboom en mochten een standbeeld plaatsen in het gewijde bos nabij Olympia. Gealarmeerd door de verdwazende jacht op goud heeft het Internationaal Olympische Comité besloten het aloude credo van De Coubertin in ere te herstellen. Elke tv-maatschappij die op basis van een contract olympische reportages verzorgt, dient een promotiefilm te vertonen waarin jonge mensen figureren die nu eens niet goud, brons of zilver hebben behaald, maar gewoon hebben deelgenomen of er al trots op zijn aanwezig te mogen zijn.

Het olympische instituut dat de vorige eeuw de sportbeleving op zijn kop heeft gezet, ziet kennelijk de zin van relativering in. De olympische bewegingen kennen namelijk geen maat meer. Steeds meer deelnemers worden afgevaardigd. Steeds meer geld verlangen ze van de overheid, steeds meer geld in de hoop steeds meer goud te kunnen veroveren. Alsof een vracht goud een garantie is voor nog meer interesse voor sport en sportbeoefening – dus een gezondere samenleving. Sport is een zinnig tijdverdrijf, maar wanneer we voor onze kinderen tevergeefs zoeken naar een sportclub die plaats heeft voor recreanten, is er iets mis. De spelende mens heeft plaats gemaakt voor de presterende mens. Wie sport bedrijft met de blik op oneindig, voelt, hoort en ziet niets meer. Die is al dood voordat hij sterft.