Olympische Spelen als regeneratie

Het Internationaal Olympisch Comité is een eigenaardig gezelschap. Van huis uit is het, zoals de oprichter Pierre baron de Coubertin voor ogen stond, een club van voorname lieden. Tegenwoordig zijn er echter ook nogal wat types bij die de baron niet graag aan tafel zou hebben gehad. Deze ontwikkeling is in zekere zin typerend voor de moderne Olympische Spelen. Het gaat tegenwoordig om big business. De spelen zijn, zoals het heet, een media event, waarbij het meer aankomt op de show dan op de sport. En dan te bedenken dat Coubertins devies was dat het niet ging om het winnen, maar om het spel zelf. Dit laatste was overigens bepaald geen idee van de oude Grieken, door wie hij zich zo graag liet inspireren.

Pierre de Coubertin, die in 1868 in Parijs werd geboren, kwam uit een rijke, katholieke en royalistische familie. Hij was geparenteerd aan vele grote adellijke geslachten. Deze aristocratische afkomst is in Coubertins gedachtewereld duidelijk terug te vinden. Hij voelde zich echter niet thuis bij die gefrustreerde groep uit de adel die zich vol weerzin had afgewend van de moderne maatschappij en haar dagen in ledigheid sleet, dromend van een nimmer komende restauratie. Hij vertoonde veeleer affiniteit met het sociale katholicisme en de ideeënwereld van andere aristocraten als De Mun, La Tour du Pin en, later, Lyautey. Zij allen waren getroffen door de noden van de arbeidersklasse en toonden een enigszins paternalistische sociale bewogenheid, die vooral voortkwam uit een gevoel van noblesse oblige. Typerend voor Coubertin was dan ook dat hij, na mislukt te zijn aan de militaire academie van Saint-Cyr, koos voor een modernere vorm van studie aan de Ecole des Sciences Politiques te Parijs.

Sterk onder de indruk van Taine's Notes sur l'Angleterre, reisde hij naar Engeland om een studie te maken van het Engelse opvoedingssysteem, dat hij beschouwde als de basis van de Engelse grootheid. Het grote voorbeeld was natuurlijk Rugby School, waarvan de Master, Dr. Arnold, gold als de theoreticus van de opvoeding van de Engelse gentleman. Coubertin waardeerde in de Engelse opvoeding vooral dat zij het democratische ideaal combineerde met de overtuiging van een natuurlijke ongelijkheid der mensen. Een dergelijke anti-egalitaire opvatting was in hoge mate karakteristiek voor het fin de siècle. We vinden haar niet alleen bij de al genoemde Dr. Arnold, maar ook bij Taine met zijn ongelijkheidsgedachte, bij Nietzsche's `Übermensch'en bij de `culte du moi' van Barrès, een generatiegenoot van Coubertin trouwens. Het elitaire principe is ook het belangrijkste ideologische bestanddeel van Coubertins sportidealen. Uit zijn opvattingen over de betekenis van records en prestatiezucht, blijkt een typisch sociaal-darwiniaanse conceptie van strijd en selectie. Helemaal zonder tegenstrijdigheden is deze overigens niet, omdat in het beklemtonen van het amateurisme en het belangeloze deelnemen een zekere aristocratische reserve naar voren komt. Geboorte- en verdienste-aristocratie strijden hier kennelijk om de voorrang.

Het kweken van een elite was natuurlijk geen doel op zichzelf, maar had ook een patriottische functie. Ook in dit opzicht drong het Engelse voorbeeld zich op. Het nieuwe Franse koloniale rijk had immers, net als het Britse Empire, behoefte aan een goed geschoolde en zelfbewuste elite van bestuurders. Zo gezien is het niet zonder symbolische betekenis dat Coubertins geboortehuis in de rue Oudinot precies tegenover de ingang van het toenmalige ministerie van Koloniën stond. In zekere zin hadden de koloniën en de sportvelden trouwens één en dezelfde functie. Ze waren beide een trainingsplaats voor actie, initiatief en energie en boden een ontsnappingskans uit de moderne maatschappij. Sportbeoefening was een vorm van escapisme, zoals ook de koloniale carrière dat was. Het was een vlucht uit de zich industrialiserende samenleving, die volgens Coubertin bedreigd werd door gemakzucht, specialisatie en gelijkheidsidealen. Zijn inspanningen ter bevordering van de sport kwamen voort uit zijn bezorgdheid over deze ontwikkelingen en kunnen worden beschouwd als een poging om de Franse jeugd weer op het juiste spoor te brengen. Hier uit zich Coubertins patriottisme.

Na de verloren oorlog tegen Duitsland van 1870 werd in Frankrijk wel gezegd dat de Slag bij Sedan was gewonnen door de Duitse onderwijzer. Maar Coubertin geloofde eerder in de veel oudere uitspraak, afkomstig van de hertog van Wellington, dat de Slag bij Waterloo was gewonnen op de sportvelden van Eton. Coubertin meende dat de Franse jeugd decadent was, maar door sportbeoefening kon worden geregenereerd. Sport was in Frankrijk in die tijd niet erg populair en veel Fransen konden Oscar Wilde nazeggen dat de enige buitensport die zij beoefenden, bestond uit het spelen van domino op een caféterras. Coubertin heeft zich erg ingezet om de Franse jeugd aan de sport te brengen. Dat is maar zeer ten dele gelukt. Een massale beweging is het niet geworden. Daarvoor hadden de arbeiders te weinig geld en te weinig vrije tijd.

In de tijd van Coubertin bleef de sportbeoefening beperkt tot een kleine bovenlaag van de bevolking, zo'n vijf procent. Bij het, relatieve, succes van de sport in deze bovenlaag speelde ook het veranderende politieke klimaat een rol. Na 1905 en vooral na 1911 werd de oorlogsdreiging groter en daarmee werd ook de militaire betekenis van de sport duidelijker. Enerzijds kon sportbeoefening immers een goede voorbereiding zijn op een optreden in oorlogstijd, anderzijds kon men oorlog beschouwen als een vorm van sport, maar dan in het echt. Sport, zo werd betoogd, kweekt patriottisme en zelfvertrouwen, teamgeest en offerzin, koelbloedigheid en volharding, solidariteit en discipline, kortom een hele reeks van deugden en eigenschappen die ook in oorlogstijd van belang kunnen zijn.

De Olympische Spelen werden overigens aanvankelijk geen groot succes. De eerste moderne Olympische Spelen werden, na Coubertins oproep daartoe op een door hem in 1894 in de Parijse Sorbonne georganiseerd congres, in 1896 in Athene gehouden. De opzet was vrij bescheiden. Het programma was vooral geconcentreerd op atletiek, gymnastiek, schermen, schieten, roeien, zwemmen en wielrennen. Het aantal deelnemers bedroeg 285, afkomstig uit dertien landen. Vier jaar later, in Parijs, waren het er een dikke duizend, uit twintig landen, terwijl bij de laatste spelen vóór de Eerste Wereldoorlog, in Londen en Stockholm, het aantal deelnemers was opgelopen tot ruim 2.000, afkomstig uit ongeveer vijfentwintig landen. De echte doorbraak zou pas na de Eerste Wereldoorlog komen en het grote succes na de Tweede. Men kan zich echter de vraag stellen in hoeverre de aristocratische en internationalistische Coubertin zich zou hebben herkend in het nationalisme en de recordjacht van de moderne massaspelen.