Kampen van Jogla

Lange tijd rustte een taboe op de Sovjet-Russische kampen voor dwangarbeiders. Vijftien jaar geleden kwamen de eerste buitenlandse bezoekers. Een reis naar Borovici.

In het propvolle driekamerappartement van Stichting Memorial in St. Petersburg, knikt het zeskoppige bataljon vrijwilligers ons vriendelijk gedag. De directeur van Memorial, Veniamin Iofe, had me aangeraden eerst kennis te nemen van de documenten over de dwangarbeiderkampen bij Borovici alvorens er naar toe te reizen.

Van 1944 tot 1952 verrichtten krijgsgevangenen, politieke gevangenen en geïnterneerde buitenlandse burgers dwangarbeid in en rond Borovici, zo'n 350 kilometer ten zuiden van St. Petersburg. Het grootste aantal dwangarbeiders was ongeveer 17.000. De meesten werden in 1946 vrijgelaten, maar de Duitsers moesten tot oktober 1952 werken. In 1990 kreeg Stichting Memorial toegang tot de archieven in de provinciehoofdstad Novgorod.

Het archiefmateriaal toont onder meer een nauwkeurige driemaandelijkse kampadministratie. In allerlei kolommen staan de nationaliteiten: Spaans, Duits, Frans, Italiaans, Fins, Hongaars, Pools. Iofe wijst op de elf Nederlandse SS-soldaten, van wie er vijf om het leven kwamen in Borovici. Genoteerd zijn ook: data van aankomst, vertrek of overlijden, oorspronkelijk beroep, legerrang en politieke partij: communist, Hitlerjugend, NSDAP, democraat, fascist. ,,Wil je kopieën? Dat is illegaal, maar ach, wat maakt het uit.''

Met dik honderd kilometer per uur manoeuvreert taxichauffeur Evgeny zijn bloedrode Lada behendig langs ontbrekende stukken asfalt op de snelweg tussen St. Petersburg en Moskou. ,,Russische auto's zijn gebouwd op deze wegen, beter dan Duitse'', vertaalt tolk Sasja, 19 jaar en student Hindi aan de Universiteit van St. Petersburg.

Waar de snelweg dorpen doorsnijdt verkopen mensen groenten en koppen thee. En op krakkemikkige houten stalletjes, lukraak langs de weg geplempt, beschilderd serviesgoed. Volgens Sasja van mensen die werken in een keramiekfabriek en hun inkomen halen uit wat ze verkopen. Behalve eindeloos uitgestrekte naaldbossen, glooiend landschap en houten huizen van boerengemeenschappen valt onderweg op hoeveel prostituées langs de kant van de weg staan.

Na ruim vijf uur snelweg, slaan we de afslag richting Borovici in. Hier en daar torsen grote betonblokken volledige tanks en straaljagers ter nagedachtenis aan WO-II. Er is een kortere weg, maar volgens de chauffeur kunnen we die niet nemen: ,,Daar is een roversbende actief.''

Door uitgestrekte, deels vervallen industrieterreinen rijden we naar het centrum van Borovici. Maar eerst bezoeken we gedenkstenen in buurdorp Jogla. In de loop van de jaren negentig zijn die daar geplaatst op initiatief van buitenlandse ambassadeurs en andere diplomaten.

In het stadhuis van Borovici vertelt de burgemeester dat het contact tussen de bewoners en de gevangenen goed was. Volgens de burgemeester gaven de dorpelingen eten aan de gevangenen. In het Memorial-archief zeggen dagboekfragmenten van Duitse gevangenen daarover niets. Wel staat vermeld hoeveel roebel lokale verkopers vroegen voor een brood.

De gemeentesecretaris begeleidt ons naar de plek, even buiten de stad, waar de barakken stonden. Een karrenspoor door heuphoog gras leidt naar één van de grafplaatsen. Aan het zicht onttrokken ligt tussen de akkers een gemillimeterd grasovaal, een massagraf met een handvol kruizen: ,,Hier liggen dwangarbeiders begraven, vijfhonderd Russische politieke gevangenen en tweehonderd Duitse militairen'', zegt de gemeentesecretaris.

Staand op het grafveld kijken we naar de groene heuvels naast een niet afgegraven kanaal, het werk van de dwangarbeiders. ,,Het kanaal moest energie opwekken, maar is uit kostenoogpunt niet gerealiseerd'', zegt de gemeentesecretaris. De gevangenen bouwden hun eigen barakken, produceerden bakstenen en bouwden woningen in de stad. Zoals de statige, okergele woonblokken in Borovici, gebouwd door de Duitsers.

Vanuit het kamp schreef een Duitse militair in 1946 naar zijn familie: ,,Die Kameraden starben einer nach dem anderen. Neben mir lag ein Kapitänleutnant der Marine, Pastor von Beruf. Er erhob sich, um auszutreten, kam ohne fremde Hilfe zurück, legt sich neben mich und starb wortlos.'' Op de `kampafdeling' in het museum van Borovici is slechts een tekening van wat barakken te vinden, enkele teksten en wat foto's. Verder niets.

Belangstelling voor de kampen is er wel degelijk, ook in Rusland. Een bezoeker van Stichting Memorial vertelde dat zijn vader vanaf 1918 28 jaar in de Goelag-kampen had gezeten. Nu pas kon hij meer over hem te weten komen.

Het archief voor regionale historische documentatie, St. Petersburg, Lanskoje Sjosse 71.