Het ongelijk van Bomhoff

De druk op minister van Financiën Zalm neemt toe. De schatkistbewaarder krijgt het verwijt dat hij met onvoldoende extra geld over de brug komt om knelpunten bij zorg en onderwijs op te lossen. Inmiddels is bekend dat het kabinet de collectieve uitgaven volgend jaar met veertien miljard gulden wil verhogen. Volgens sommige waarnemers is zelfs dat niet genoeg. D66 pleit voor nog een miljard méér. GroenLinks en de Socialistische Partij willen vele miljarden meer. Binnen de PvdA, die liever niet links wordt ingehaald, rommelt het. De zomeraflevering van het maandblad Socialisme & Democratie bevat onder andere een bijdrage van collega Bomhoff – volgens eigen schrijven al bijna veertig jaar partijgenoot – waaruit blijkt dat hij zich schaart in het kamp van de pleitbezorgers voor aanzienlijk hogere overheidsuitgaven. Het door de overheid bepaalde macrobudget voor de zorgsector moet in zijn ogen worden opgeblazen, basis- en voortgezet onderwijs dienen extra middelen te krijgen en aflossing van de staatsschuld is weinig urgent. Vergelijkbare opvattingen heeft Bomhoff recent geventileerd in zijn column in deze krant. Hieronder wordt betoogd dat zijn ideeën niet deugen.

Bomhoff wil af van de budgettering van de zorgkosten. Alle burgers behoren zonder lange wachttijden toegang tot de noodzakelijke zorgvoorzieningen te hebben. Dit maakt de zorg een open-einderegeling. Van tevoren staat niet vast hoe hoog de uitgaven zullen uitvallen. Dat hangt af van het beroep dat de verzekerden op zorgvoorzieningen doen. Het is raar dat een econoom deze suggestie doet. Hoe belangrijk een goede gezondheidszorg ook is, elke gulden die voor deze sector wordt uitgetrokken is niet langer voor andere bestemmingen beschikbaar. Zelfs wanneer het waar zou zijn dat wachtlijsten in de zorg dodelijke slachtoffers maken, staat vast dat door te weinig geld voor andere overheidstaken ook doden vallen: door te weinig politietoezicht, verwaarlozing van het onderhoud van onze dijken en ga zo maar door. De baten van extra uitgaven voor de zorg dienen dus altijd te worden afgewogen tegen die van andere overheidsvoorzieningen en tegen het belastingoffer dat burgers voor de financiering moeten brengen. Juist Bomhoff klaagde in het verleden over belastingtarieven die te hoog zouden zijn.

Budgettering van de zorg is dan onvermijdelijk. De optelsom van alle wensen en verlangens inzake collectief gefinancierde voorzieningen zal namelijk altijd hoger uitkomen dan wat via heffing van belastingen en premies valt af te romen zonder de economische ontwikkeling te veel schade te berokkenen.

Zonder rantsoenering leidt de vergrijzing van de bevolking, in combinatie met de introductie van dure nieuwe medicijnen en behandelmethoden, er toe dat op den duur het hele nationale inkomen aan zorg wordt besteed. Wordt de zorg aan de markt overgelaten, dan krijgen de armen niet langer zorg, terwijl de rijken bepalen hoeveel zij uit eigen zak voor hun gezondheid over hebben. Zo'n systeem bestaat in geen enkel rijk land. Overal bemoeit de overheid zich met de zorg. Wanneer prijzen en eigen bijdragen geen rem zetten op de bijkans ongelimiteerde vraag naar zorg, moet de overheid echter wel overgaan tot rantsoenering via een macrobudget. Hoe beter de overheid erin slaagt de kosten in de hand te houden, hoe meer zorg uit dat budget kan worden gefinancierd. Gegeven de beschikbare middelen kan het onvermijdelijk zijn het collectief gefinancierde pakket in te perken. Hebben politici niet de moed om het mes in het pakket te zetten dan ontstaan wachtlijsten, omdat de aanspraken de beschikbare capaciteit overtreffen. Zolang politici hun vingers niet aan pakketverkleining durven branden, zijn wachtlijsten het logisch gevolg van de – gezien de aanvaardbare belastingdruk en alle andere overheidstaken – beperkt voor de zorg beschikbare middelen.

Extra geld voor de zorg komt wel beschikbaar, zonder dat de belastingen tot onaanvaardbare hoogte hoeven te worden opgeschroefd, bij versnelde aflossing van de staatsschuld. Dankzij de twintig miljard die het kabinet volgend jaar aflost, is vanaf 2002 elk jaar opnieuw ruim een miljard minder nodig is voor rentebetalingen. Deze extra budgettaire ruimte is straks hard nodig, omdat in geen enkel land de vergrijzing na 2010 zo hard toeslaat als in Nederland.

Maar valt nog wel personeel te werven, zolang de overheid de salarissen van leerkrachten en verpleegkundigen niet fors verhoogt? Uit een interne notitie van het Centraal Planbureau, Beloning in de collectieve sector, blijkt dat in de jaren negentig de bruto uurlonen in de collectieve sector gemiddeld drie procent minder zijn gestegen dan in de marktsector. Desondanks verdienden werknemers met vergelijkbare kwaliteiten en in vergelijkbare banen blijkens deze notitie in 1996 bij de overheid en in het onderwijs gemiddeld nog altijd vijf procent méér dan hun collega's in de marktsector. Ook personeel in de ziekenhuizen was in verhouding beter af. In verpleeg- en bejaardenhuizen was daarentegen sprake van enkele procenten achterstand. Deze verschillen zijn onvoldoende om over te gaan tot een nieuwe `Toxopeusronde', waarbij alle salarissen fors worden opgetrokken. Weliswaar krijgen werknemers in de marktsector vaker een auto van de zaak of een dertiende maand, maar bij de overheid en in de zorgsector is het gemakkelijker om in deeltijd te werken en zijn ouderschapsverlof en kinderopvang in het algemeen beter geregeld.

Om bestaande knelpunten op te lossen is veertien miljard gulden eerder te veel dan te weinig. Door doelmatiger te werken en geldverspilling te stoppen (Betuwelijn) valt meer en kwalitatief betere dienstverlening te realiseren. Een onvoldoende kritische besteding van belastinggeld maakt iedereen tot verliezer, behalve bureaucraten die worden gestijfd in hun inefficiënte praktijken.