Europees referendum is niet meer dan een wensdroom

Pleidooien voor een Europese federatie en een referendum over de uitbreiding van de Europese Unie, zijn niet meer dan vrome wensen. De burger schiet daar niets mee op. Veel belangrijker is het om de EU transparanter, democratischer en doelmatiger te maken, vindt Jan Kees Wiebenga.

Met het uitspreken van wensdromen, zoals het omvormen van de Europese Unie tot een federatie en het houden van een referendum over de komende uitbreiding, zijn de Europese burgers niet gediend. De Europese leiders moeten er eerst maar eens voor zorgen dat de EU eindelijk democratisch, open, doelmatig en fraudebestendig wordt. Daar hebben de burgers écht belang bij.

Het lijkt wel of er paniek is uitgebroken in Brussel. De uitbreiding staat voor de deur terwijl de huidige EU maar moeizaam bestuurbaar is. Hoe moet dat dan met nóg meer lidstaten? Iedereen is het er over eens dat het Europese huis op orde gebracht moet worden, voordat de uitbreiding plaatsvindt. Het is de bedoeling dat de besluiten voor de modernisering van de EU genomen worden op de komende top van de regeringsleiders in december in Nice. De onderhandelingen daarover lopen stroef.

Het lijkt wel of een aantal Europese topbestuurders vluchtgedrag vertoont, in plaats van toe te werken naar een succesvolle uitkomst van deze top. Allereerst is daar het voorstel van de Duitse minister Fischer om de Europese Unie te zijner tijd om te vormen tot een federatie. Op zichzelf is deze gedachte even belangwekkend als omstreden. Het is inderdaad van groot belang het debat te voeren over de vraag hoe de EU er in haar eindfase uit moet zien. Maar federalisme betekent in staatsrechtelijke zin het overdragen van de volkenrechtelijke soevereiniteit van de lidstaten naar de EU. Hoe aanlokkelijk dat op zichzelf ook mag zijn, voor de korte termijn is het niet anders dan een wensdroom. President Chirac als eerste, en na hem anderen, hebben dit model van de hand gewezen.

De volgende wensdroom werd vorige week geuit door Eurocommissaris Verheugen. Zeggende te spreken als `privé-persoon', opperde hij de gedachte om in Duitsland een referendum te houden over de komende uitbreiding. Een wensdroom, omdat de gedachte in flagrante strijd is met het beleid van de Europese Commissie zelf.

De uitbreiding is het belangrijkste project van de huidige Commissie en de EU-lidstaten. En niet ten onrechte. De deelneming van de Midden-Europese landen aan de Europese vrede en welvaart, is ook voor onze eigen veiligheid van wezenlijk belang. Het vooruitzicht op toetreden is de betrokken landen reeds enige tijd geboden. De onderhandelingen over de praktische invulling daarvan zijn in volle gang. Het gaat dan niet aan om midden in dit proces een nieuwe voorwaarde van deze aard te stellen.

Inmiddels heeft Commissaris Verheugen in het Europees Parlement verklaard dat hij het niet zo bedoeld had en is hij tijdens dezelfde parlementszitting door Commissievoorzitter Prodi teruggefloten. Duitsland kent het referendum-instrument bovendien niet. En voor een ieder die ook maar enig weet heeft van de politieke geschiedenis van dat land in de vorige eeuw, zal het duidelijk zijn waarom dat zo is. Het instrument van het referendum leidt niet zelden tot behoudende uitkomsten. Maar zeker op het punt van de uitbreiding is het denkbaar dat vreemdelingenvrees een grote rol zal spelen. En niet alleen in Duitsland.

Het is dan ook verbazingwekkend dat te midden van deze verwarring staatssecretaris Benschop de gedachte van Eurocommissaris Verheugen omhelst. Stelt u zich voor hoe dat in Nederland zal gaan. Premier Kok stemt te gelegener tijd – uiteraard na goedkeuring van de Tweede Kamer – in met de voorziene uitbreiding. Als dat vervolgens in een Nederlands referendum wordt verworpen, wordt daarmee de uitbreiding geblokkeerd. De positie van het dan zittende kabinet is daarmee rechtstreeks in het geding.

Wat moet dan wel gebeuren om de huidige gebreken van de EU te verhelpen in het licht van de komende uitbreiding? En waarmee zijn de Europese burgers wél geholpen?

Om te beginnen zijn de burgers gediend met een zo open mogelijk Europees bestuur. Daarmee is het op dit ogenblik slecht gesteld. Met name de Raad van Ministers blinkt uit door geheimzinnigheid en achterkamertjespolitiek. Het recente voorstel voor een Europese openbaarheidsregeling schiet eveneens te kort. De burger komt er nauwelijks aan te pas.

Ten tweede moet op de komende Top van Nice de stap gezet worden naar een volledige democratisering van de EU. Ook al zijn de bevoegdheden van het Europees Parlement bij iedere voorgaande verdragswijziging uitgebreid, het is een schandaal dat het parlement op belangrijke beleidsterreinen als justitiebeleid, buitenlandsbeleid, landbouw en een deel van de Uniebegroting nog steeds alleen maar adviesrecht heeft. Van de kandidaat-lidstaten eisen wij terecht dat zij aan hoge democratische normen voldoen. Het minste is wel dat de EU zich aan haar eigen toetredingscriteria houdt.

De EU moet ook doelmatiger worden. Dat kan op zichzelf nogal eenvoudig, mits de politieke wil er maar is. Bij een aantal beleidsterreinen geschiedt de besluitvorming in de Raad van Ministers nog altijd met eenparigheid van stemmen. Het is niet moeilijk zich voor te stellen dat dat kan leiden tot bestuurlijke verlamming. Tijdens de `gekke koeiencrisis' bijvoorbeeld, blokkeerde Groot-Brittannië tientallen besluiten in andere sectoren door gebruik te maken van het vetorecht. Dit vetorecht moet vervangen worden door meer besluitvorming bij versterkte meerderheid.

Een beleidsterrein waarop het bovenstaande bij uitstek van toepassing is, is de fraudebestrijding. Als er iets is dat de EU in de ogen van de burgers ongeloofwaardig maakt, dan zijn dat wel de gevallen van grootscheepse fraude. Met de fraudebestrijding gaat het niet goed. De anti-fraudewetgeving is nog steeds niet van kracht, Europol is nog maar net begonnen evenals het fraude-opsporingsorgaan OLAF.

Niet alleen de opsporing van Europese fraude verloopt moeizaam. Met de grensoverschrijdende strafvervolging is het helemaal belabberd gesteld. De instelling van een Europees Openbaar Ministerie (EOM) als draaischijf tussen de verschillende nationale openbare ministeries is onontkoombaar. De regeringsleiders moeten in Nice niet aarzelen het vetorecht op dit terrein op te heffen, het EOM in te stellen en het Europees Parlement medebeslissingsrecht te geven. Door daartoe te besluiten kunnen zij de burger laten zien dat zij diens zorgen ernstig nemen.

Het wordt tijd om de Brusselse verwarring achter ons te laten. Met het uitspreken van wensdromen die niet te verwezenlijken zijn, zijn de burgers niet gediend. De Europese beleidsmakers hebben op korte termijn de kans om met een aantal tastbare maatregelen Europa meer `burger-vriendelijk' te maken. Laten zij dáár eens mee beginnen.

Mr. J.G.C. Wiebenga is lid van het Europees Parlement voor de VVD.