Bladeren in het landschap

De route door het Portugese Trás-os-Montes (`Over de bergen') laat zich lezen als een bloemrijk gedicht: van Vieira do Minho naar Cabeceiras de Basto en vandaar over Vila Pouca de Aguiar en Carrezedo de Montenegro naar Mirandela. Deel 5 van een serie over bijzondere treinreizen.

Hoe groot is het contrast tussen het station en de stationschef van Mirandela! Het gebouw ziet er verwaarloosd uit. De chef daarentegen is met zijn grijze broek en blauwe blazer en zijn waardige houding het toonbeeld van een gentleman. Eerst geeft hij een paar oude mannen een hand, die op een bankje op het perron voor de zon zijn weggevlucht, daarna wenkt hij mij naar binnen. In zijn kantoor schrijft hij een kaartje uit en geeft mij een lijst met de namen van de tientallen stations, die ik op mijn weg naar Porto zal tegenkomen (ik beperk mij hier tot de rit naar Tua). Voor de reis van ruim vier uur (eerste klas) hoef ik nog geen twee tientjes neer te tellen.

Als het aan de Portugese spoorwegen had gelegen, dan was deze onrendabele lijn naar de binnenlanden al lang opgeheven, zoals eerder gebeurde met de lijn van Mirandela naar Bragana, de hoofdstad van Trás-os-Montes. Dankzij particulier initiatief bleef de verbinding behouden.

Slechts een handvol passagiers zoekt een plaatsje in een van de twee rood-witte wagons. Er is geen verschil tussen eerste en tweede klas. Een heuse conducteur controleert de kaartjes. De meester op de loc trekt aan de fluit en daar gaan we. In een rustig gangetje, en dat zal ruim twee uur zo blijven. Ook het getoeter blijft ons vergezellen – kennelijk verwacht de machinist dat er na elke bocht of tunnel een ezels- of ossenkar op de rails zal staan.

Het smalspoor volgt vanuit Mirandela het dal van de Tua, een rivier die ter plaatse breed en glad onder de nieuwe verkeersbrug en de oude Romaanse wandelbrug doorstroomt. Aan de ene kant van het water staat een kapel voor een Lieve Vrouwe; heel Portugal is bezaaid met heiligdommen – men komt er hier openlijk voor uit dat er een hele stoet wonderdoeners nodig is om alle pech en ellende te bestrijden. Aan de andere kant kijkt een witgekalkt kasteel op het stadsgewoel neer.

De hoofdpersoon uit Gerrit Komrij's roman `Over de bergen' ging mij op deze reis voor. Alleen, hij deed dat in omgekeerde richting. ,,Na een reis van zes uur in een rammelende trein, langs ravijnen en door nauwe, rotsachtige dalen bereikt Pedro Sousa e Silva, moe van het leven en de society in Lissabon, het land van zijn dromen.'' Hij stapt uit in Vila Flor, waar zich het landgoed van zijn voorvaderen bevindt. Terug naar de oorsprong, terug naar ,,het land van uitersten waar 's winters de wolven de dorpen binnentrokken en waar de armoede middeleeuwser was, de vreugde geloviger en het pittoreske wreder.''

Net als de gastarbeiders, de `nieuwe rijken', die uit Duitsland en Zwitserland waren teruggekeerd, keerde Pedro terug naar zijn geboortegrond. Overal bouwden zij hun opvallend luxe huizen, tot in de kleinste gehuchten; het sprak voor hen blijkbaar vanzelf dat zij zich weer in hun eigen streek vestigden. Zij nestelden zich weer in het vertrouwde, stenige en groene landschap dat zich nu weer voor mijn ogen ontrolt.

Na twintig minuten bereiken wij het eerste station. Op de conducteur en mij na, stapt iedereen uit. Het stoffige dorp wordt opgesierd door bomen met rode bloemen (camelia's) en uitbundig bloeiende blauwe regen, die verveloze balkons en baldakijnen van kleur voorziet. Naast witgesausde en met oranje pannen bedekte huizen, waar onder een groen dak van druivenbladeren de was te drogen hangt, staan getraliede hokken op pootjes die zo bedrieglijk op doodskisten lijken; in werkelijkheid worden er maïskolven in opgeslagen. Grote aluminium tanks wijzen op de aanwezigheid van een wijnfabriek.

Het zal nog een paar haltes duren voor het landschap verandert. De trein klimt dan omhoog tussen steile rotswanden. De putters maken plaats voor zwaluwen die in de rotsspleten nestelen; in de berm bloeien cactussen met oranje-gele bloemen. Op de stenige hellingen verschijnt het donkergeel van de gaspeldoorn. Heidevelden en olijfbomen wisselen elkaar af.

Bij een wit-rood dorpje, dat zich in een kom van de bergen heeft verstopt, zijn de wanden terrasvormig afgegraven en met strakke rijen wijnstokken beplant. In de diepte bruist de Tua met witte koppen over de richels in haar bedding. Een enkele keer duikt er de afgebrokkelde boog van een Romaanse brug op.

Verder gebeurt er niets. Na station Frechas komt Cachão, daarna Vilarinho, Ribeirinha (waar witte koeien bij de rivier grazen), Abreiro (dat trots is op zijn nieuwe brug), Santa Luzia, en zo verder. ,,De meeste zagen er verlaten en bouwvallig uit'', lees ik in `Over de bergen', ,,met klokken zonder wijzers en betonnen, grofbeschilderde bloembakken waaruit wat afval stak.'' Nieuwe passagiers dienen zich niet aan. Ik zit alleen en vergenoegd in mijn wagon en kijk beurtelings naar buiten en in mijn boek. Ik blader als het ware door het landschap.

Links de bergwand, rechts het ravijn, dat blijft zo tot aan de grote brug die ineens vanuit het niets de rivier overspant. Erachter ligt de spoorbrug en daar weer achter glimt het rustige, brede oppervlak van de Douro. Twee sporen lopen opeens parallel. Op een met tegeltjes versierd gebouwtje staan drie letters: `Tua'. Een locomotief met blauwe wagons, de boemel naar Porto, wacht al bij een ander perron.

Ik neem plaats aan de rivierkant van de coupé, de Portugezen aan de landkant. Zij mijden de hete zon die mijn bank in brand probeert te steken. De zwaluwen worden op hun beurt afgewisseld door tortelduiven, die van amandelboom naar eucalyptus vliegen. De komende uren wordt het uitzicht bepaald door witte wijnboerderijen en een paar verloren portscheepjes op de Douro.

Aan de overkant vestigen borden de aandacht op Ferreira (een Portugees portmerk; andere portmerken zijn Engels) en een ecologische olijfoliefabriek. Na Covelinhas verdwijnt de trein in de ene tunnel na de andere. Steeds meer forenzen klimmen aan boord. Bij Péso da Rgua voorzien twee zijstromen de Douro, die hier maar liefst door drie bruggen wordt overspannen, van extra water. Verderop glinsteren stukken rivierstrand in het zonlicht. Bij Cinfães neemt de boemel afscheid van de Douro. Wij denderen het droge binnenland in. Ik trek het zonnescherm omlaag en sla mijn boek dicht.