`The whale' is frisse vloedgolf in een bruine zee

`Een zee van huizen', zo noemde (landschaps)architect Adriaan Geuze zijn stedenbouwkundig ontwerp voor Borneo Sporenburg eens. Begin jaren negentig stelden Geuze en zijn bureau West 8 voor om deze twee in onbruik geraakte schiereilanden in het Amsterdamse oostelijk havengebied te bebouwen met lage, smalle woningen, die allemaal een toegang op de begane grond zouden hebben. Terwijl de gemiddelde VINEX-wijk een bebouwingsdichtheid van 30 à 35 woningen per hectare heeft, moest Borneo Sporenburg een dichtheid krijgen van maar liefst 100 woningen per hectare. Deze in Nederland ongebruikelijke combinatie van laagbouw met een hoge dichtheid zou Borneo Sporenburg een bijzonder karakter geven, zo was Geuze's gedachte. Het zou zoiets worden als de Jordaan, de zo geliefde 17de-eeuwse voormalige arbeiderswijk in Amsterdam.

Nu een groot deel van Borneo Sporenburg klaar is, blijkt Geuze's `zee van huizen' een rake typering. Alleen gaat het wel om een heel kalme, om niet te zeggen saaie, en bovenal erg bruine zee. Weliswaar zijn er op Borneo Sporenburg veel verschillende architecten aan het werk gezet om de huizenzee tot stand te brengen, maar de regels waaraan hun ontwerpen moesten voldoen, waren zo stringent dat het resultaat eentonig is. Deze monotonie is niet het resultaat van de eis dat de meeste woningen rug aan rug moesten worden gebouwd en een lichthof of dakterras moesten krijgen. Integendeel, dit heeft tal van architecten, onder wie Rem Koolhaas, Ben van Berkel en Claus en Kaan, geprikkeld tot ingenieuze oplossingen. Maar de verscheidenheid aan interieurs is op straat nauwelijks zichtbaar, doordat bijna iedere architect was veroordeeld tot dezelfde soort donkerbruine baksteen en vooral uniforme bouwhoogte van drie verdiepingen.

Hoe fnuikend een uniforme bouwhoogte is voor een stadsgezicht, blijkt in het deel van Borneo waar individuele opdrachtgevers grond konden kopen om naar eigen inzicht een woning te laten ontwerpen. Terwijl de les van de Jordaan en ook de andere delen van het 17de-eeuwse Amsterdam is dat een goed stedenbouwkundig ontwerp alleen maar wel vaart bij een grote variatie in gebouwen, is ook het individuele stuk van Borneo onderworpen aan eenzelfde bouwhoogte als op de rest van de eilanden. Het gevolg is dat ondanks de bonte materialen en gevels zelfs dit `Wilde-Wonen'-deel een steriel karakter heeft.

De angst voor variatie, een eigenschap die vaak voorkomt bij architecten, regeert Borneo Sporenburg. Geuze was zich vermoedelijk bewust van zijn angst en het bijbehorende gevaar voor monotonie. Zijn ontwerp voor Borneo Sporenburg voorziet dan ook in drie grote woningblokken, die op strategische punten hoog boven de huizenzee uittorenen. Deze kloeke blokken, door Geuze omschreven als `meteorieten', moesten overigens niet alleen de monotonie doorbreken, maar er ook voor zorgen dat de dichtheid van 100 woningen per hectare werd gehaald. Want hoe dicht laagbouw ook op elkaar wordt gezet, 100 woningen per hectare bleek onhaalbaar.

De eerste `meteoriet', die twee jaar geleden insloeg, bleek een ongelukkige doorbreking van de bruine huizenzee. Architect Koen van Velsen had de opdracht om er een robuust gebouw van te maken dat aan havenarchitectuur herinnerde, overdreven serieus genomen en kwam met een grimmig gebouw met Oostblok-achtige allure. De ongenaakbare blokvorm, die alleen werd verzacht door een groot gat en curieus uitstekende bakstenen bakken die als balkons dienen, en de overweldigende bruinheid van dit gebouw versterken slechts de monotonie van Borneo Sporenburg.

Maar de tweede, nu bijna voltooide `meteoriet', ontworpen door vier architecten van de Architekten Cie (Frits van Dongen, Adriaan Mout, Pero Puljiz en Fred Veerman), is wel een goed antwoord op de eentonigheid van Borneo Sporenburg. Niet alleen wijken de schuine lijnen van deze krachtige sculpturale vorm af van de rechthoekige huizenzee, maar ook het gevelmateriaal ervan breekt met de bakstenen overdaad van de omgeving. Vrijwel het gehele blok, dat 214 woningen bevat en om onnaspeurbare de naam `the whale' heeft gekregen, is bedekt met zinkplaten die dit gebouw tot een frisse vloedgolf in de bruine zee maken.

The whale staat recht tegenover het Piraeus-gebouw op het KNSM-eiland. De gelijkenis is treffend: het Piraeus-gebouw van de Duitse architecten Hans Kollhoff en Christian Rapp uit 1994 was het eerste bouwblok in Nederland dat door een op- en aflopende dak een markante, sculpturale vorm kreeg. Dit gebouw heeft school gemaakt in Nederland, maar is nooit geëvenaard. The whale steekt het Piraeus-gebouw echter naar de kroon: het is een radicalisering van het toch al opzienbarende Duitse gebouw.

Niet alleen heeft The whale een dak gekregen dat nog steiler op- en afloopt dan dat van de overbuur, maar de vier architecten hebben ook nog eens de onderzijden van de kopse kanten van het gebouw opgetild en afgeschuind. Hierdoor wordt het gebouw gedeeltelijk doorzichtig en bestaat er van de straatkant zicht op het binnengebied van het gebouw. Daar is het nu nog leeg, maar binnenkort zal daar een tuin naar een ontwerp van Adriaan Geuze worden aangelegd. Het gaar hier jammer genoeg om een `kijktuin', waar de bewoners vanaf de aan de binnenzijden gelegen galerijen op uit kijken. De architecten wilden wel dat het binnengebied algemeen toegankelijk werd, maar de beheerder van het gebouw, woonstichting Lieven de Key, zag hier om beheertechnische redenen niets in.

Behalve het sculpturale effect heeft het schuine dak ook als voordeel dat het ongebruikelijke woningen mogelijk maakte. The whale bevat niet minder dan 35 woningtypen. Het grootste gedeelte van de 214 woningen bestaat uit normale drie- en vierkamerwoningen, maar op de verdiepingen onder het dak hebben de woningen een variërende extra grote hoogten, die allerlei onverwachte ruimten mogelijk maken.

Gebouw: The whale, Amsterdam. Architect: Frits van Dongen, Adriaan Mout, Pero Puljiz en Fred Veerman (ArchitectenCie). Opdrachtgever: New Deal. Ontwerp: 1997. Bouw; 1998-2000. Bouwsom: 34,5 miljoen gulden.