De weekbladen

`Zijn de opiniebladen aan het eind?', vraagt John Jansen van Galen zich af in zijn column in Het Parool (19 augustus). Behalve met Elsevier gaat het niet goed met deze eertijds gevreesde periodieken. Ze verliezen lezers, ze wisselen van opmaak en formule, hoofdredacteuren komen en gaan, ze vertonen alle tekenen van een wanhoopsstrijd. Laten we nog eens kijken hoe het vroeger was.

In de linkse opiniebladen stond toen wat het rechtse publiek niet mocht weten; in de rechtse wat het linkse publiek niet wilde weten. De linkse dagbladen bevestigden zesmaal per week dat het leven en de wereld in elkaar zaten zoals hun lezers dat verwachtten; de rechtse pers deed zesmaal per week voor haar lezers hetzelfde. Deze taakverdeling verzekerde een niet aflatende stroom van politieke, culturele en persoonlijke botsingen, waarbij de hele natie betrokken leek te zijn en soms was dat ook zo. In de ether waren de rollen min of meer gelijk verdeeld. Wat de VPRO voor zijn rekening nam (van tijd tot tijd gezelschap gehouden door de NOS) zou voor de AVRO en de TROS de ondergang hebben betekend, en andersom hetzelfde. Het `medialandschap' was permanent gevechtsterrein. De botsingen waren op zichzelf ook weer nieuws.

Voorzover deze media zich met het publiceren van scherpe opinies en het rapporteren van `controversiële kwesties' bezighielden, waren ze in hun geheel een politiek en cultureel instituut, met een linkervleugel en aan de andere kant iets dat moeilijker te definiëren valt. Een mengsel van rechts, conservatief, liberaal en confessioneel. Het hing ervan af wat je uit deze hoek onder ogen kreeg.

Goeie ouwe tijd? Nee, het was een volstrekt andere tijd. De media aan de linkerzijde, in de eerste plaats Vrij Nederland en de VPRO, hadden hun succes te danken aan de redacties die intuïtief wisten dat de natie aan een historische wending bezig was. Hun wetenschap maakten ze iedere week openbaar, in duidelijkste bewoordingen. Dat deden ze niet zozeer uit commerciële overwegingen, met het oog op een hogere oplage en meer advertenties, maar omdat ze er plezier in hadden. Deze overgangstijd, die van de bloei van de opiniepers, is ook een tijd van taalvernieuwing. Niet dat er zoveel nieuwe woorden werden `gecreëerd'; de beschikbare voorraad werd beter gebruikt.

Toen, sluipenderwijze, is het aan de linkerzijde bergafwaarts gegaan. Jansen van Galen schrijft: ,,Pas achteraf is te zeggen hoe het kwam dat de weekbladen hun prominente rol verspeelden. Niet toevallig valt het begin daarvan samen met dat van het poldermodel. De tijdgeest van polarisatie die ze zo heftig tot uitdrukking brachten, taande. Daar komt bij: functieverlies. Alles waarin de weekbladen excelleerden, namen de dagbladen over. [...] En spoedig deden de kranten dat allemaal beter.'' Hij trekt zijn conclusie: ,,De opinieweekbladen begonnen als organen waarin dominees en professoren de natie de les lazen en ontwikkelden zich tot voorhoede van de journalistiek, maar ze zijn ingehaald.''

Niets tegenin te brengen. Het is zelfs verder gegaan. De media die zich hadden onderscheiden door het bevorderen van het vrije debat en het afbreken van de `taboes', zagen dat de laatste taboes niet verdwenen door hun interventie, maar onder commerciële druk, op de vrije markt. Het `grens verleggen' – de modernisering van Nederland, begonnen door journalisten en politici die toen wel `linkse intellectuelen' werden genoemd, is overgenomen door degenen die naar de absolute platheid in combinatie met de absolute onbeschoftheid zoeken, dit ten behoeve van een geestelijk lompenproletariaat dat de hoogste oplagen en de beste kijkcijfers garandeert. (Dat is trouwens niet typisch Nederlands; in Amerika is men dichter bij dit nulpunt en Engeland het dichtst).

Dan wordt er een oplossing gezocht. Er zijn media met van oorsprong intellectuele aspiraties, die zich stap voor stap bij de nieuwe concurrentiestrijd neerleggen, zich wat onwennig gaan bewegen op het gebied van de lifestyle, een diepe buiging maken naar wat ze denken dat de jeugd denkt, de trend volgen, de held van de dag een onbenulligheid of een scheldwoord weten te ontfutselen, en tegelijkertijd proberen op hun traditionele manier iets van hun oude glorie te bewaren. Ze letten meer op de windvaan van de trends dan dat ze naar hun eigen intuïtie luisteren, of naar hun kwade geweten wie zal het zeggen. Dat is een halve capitulatie, erger dan een hele, omdat op beide gebieden media zijn die beide genres dat van de lifestyle en dat van de intellectuele verkenningen - beter beoefenen.

De opiniepers als politiek en cultureel instituut maakte in haar bloeitijd deel uit van een snel veranderend systeem. Nu is het systeem opnieuw in snelle verandering. Het `poldermodel' heeft als economisch model zijn verdiensten, maar of het duurzaam zal zijn opgewassen tegen de krachten van de vrije markt, moet nog worden bewezen. Openbare diensten, aanpassing van de infrastructuur, onderwijs en gezondheidszorg stagneren. Ook buiten de grenzen van de economie wordt slijtage zichtbaar. Het geheim van zijn succes, de consensus, is geen geheim meer. In zijn tegenwoordige vorm lijkt het meer op een gordiaanse knoop, overgoten met stroop. In kunst en cultuur is er een groot niemandsland tussen creativiteit en doelbewust geld pompen op de vrije markt.

Er nadert opnieuw een periode waarin uit de openbare mening dringender veranderingen zullen worden verlangd, of de al tot stand gebrachte erkend of verworpen. Er zijn al genoeg voortekenen. Men zou eens moeten turven, hoeveel keer de afgelopen paar jaar door deze of gene belangengroep een `onafhankelijk onderzoek' of een parlementaire enquête is geeïst. Het is de moeite waard, terzijde van de talrijke protesten, eens een analyse te maken van de niets producerende verwarring die staatssecretaris Van der Ploeg van zijn vernieuwing heeft gemaakt. De drang naar het referendum hoort ertoe.

Aan dit panorama in beweging voegen de opiniebladen in nood blijkbaar niets onmisbaars toe. Het komt erop neer dat ze, in hun pogingen om op de markt te overleven, bezig zijn zich als instituut op te heffen. Zou dat een verlies zijn? Ze hebben hun eigen traditie, hun plaats op de leestafel. Voor wie ze een halve eeuw dierbaar gezelschap zijn geweest, is het ondenkbaar dat ze verdwijnen; maar er is meer ondenkbaars gebeurd.