Antwerpen in de diepte

Afkeer van massatoerisme was onderwerp van gesprek. We waren onder vrienden. Verhalen kwamen los over nog niet ontdekte vakantiebestemmingen en exclusieve excursies. Ik herinnerde me een uitstapje in Antwerpen, dat alleen mogelijk was op aanvraag in het stadhuis. Mijn drijfveer om eraan deel te nemen, was een snel geprikkelde nieuwsgierigheid naar – laat ik zeggen – de obscure wereld onder putdeksels. Die fascineerde mij als kind al. Ik stond er met mijn neus bovenop als de stenen deksel van het gootsteenputje naast ons huis, werd weggeschoven. Dat gebeurde wanneer een stuk bestek met het afwaswater was verdwenen. Met een steelpannetje werd de zilvergrijze drab in een emmer geschept tot het vermiste gerei boven water kwam. Nog spannender was het als – bij verstopping van de wc – de zware deksel van de beerput voor de schuur werd weggeschoven en een duistere diepte zich aandiende. Hierin werd een emmer, die aan een stok bevestigd was, gedompeld om de groengele substantie in een kruiwagen te scheppen, die druipend naar de moestuin werd afgevoerd. Langzaam zonk het niveau in de put en werd de galm welluidender. Tot de aanvoerbuis zichtbaar werd. Dan daalde mijn vader, gewapend met een stevig stuk ijzerdraad, af. Ik keek ademloos toe.

Het zien van The Third Man waarin Orson Welles door de riolen van Wenen vlucht, bezorgde me later dezelfde prikkelende rilangst. Deze terzijdes om mijn aanwezigheid die ochtend in Antwerpen toe te lichten. Ik had me bij een clubje mensen gevoegd waarvan de kleding me verzekerde dat ik aan het juiste adres was. De enige vrouw in het gezelschap had – ondanks het stralende weer – een capuchon over haar hoofd getrokken. We stonden op het trottoir en zwegen. Tot een man met twee roeispanen naderde. Toen hij vlak bij was, haalde hij een sleutelbos tevoorschijn, opende een deur en gaf zonder gegroet te hebben, teken hem te volgen. Hij had de roeispanen onder zijn linkerarm genomen terwijl hij met zijn rechterhand een lantaarn in de diepte richtte. We daalden voorzichtig langs stenen treden, nog niet gewend aan het kille duister dat ons, zodra de laatste de deur had gesloten, omringde. Een doordringende lucht van afvalwater kwam ons tegemoet. Een enkeling drukte een zakdoek tegen zijn neus. We volgden het schijnsel van de lantaarn tot de onderste trede waar een roeiboot gemeerd lag. Toen iedereen – zeven in getal – zijn evenwicht had hervonden en aan boord had plaatsgenomen, staken we van wal. Boven ons hoofd overspande een vochtig, stenen gewelf het donkere water dat door een lamp op de boeg werd afgetast. Niemand zei iets. Alleen het geluid van de roeispanen resoneerde naar voor ons ongekende, ondergrondse verten. Als onze gids de riemen in de dollen liet rusten, was sijpelend water op verschillende afstanden te horen. We voeren door het riool, onder de stad. Ooit waren hier open grachten geweest of `ruien', zoals men in Antwerpen zegt.

,,In de vroegste vermeldingen – uit de dertiende eeuw – spreekt men van `roya's' die de middeleeuwse stad vanaf de Schelde ontsloten,'' lichtte onze gids toe. Zijn spaarzame commentaar verklonk als muziek tussen de vochtige wanden want ik zag meteen een verklaring voor mijn familienaam, Royaards. Die moest dus `baggeraar' betekenen. Zo hadden mijn voorouders wellicht bijgedragen aan deze waterwerken die als grachten waren bedoeld, maar die ik als riool bevoer. Ik had mijn oorsprong niet dichter kunnen naderen.

Boven ons hoofd werd een ijzeren deksel gelicht. Een echo daverde door de gangen. Een waterval van licht viel door een gat in de donkere hemel.

,,Honderdéénenzestig?'' riep een stem die met straatrumoer tot ons doordrong.

,,Honderdéénenzestig!'' herhaalde onze gids, als een code en teken van leven uit het onderaards labyrint. Het geluid werd overspoeld door het metalen geweld van de putdeksel die weer op zijn plek viel. Daarop volgden stilte en duisternis. We werden door de stroom meegevoerd. In de middeleeuwen verzonken. Een koude druppel viel op mijn voorhoofd en rolde langs mijn neus. Er werd niet gesproken. Onze broederschap werd door zwijgen bezegeld.

Bij een spitsing lieten we een mysterieuze monding die ons even in haar diepten deed blikken, links liggen. Doordat de gids meldde dat we ons nu in (of onder) de Suikerrui bevonden, sprak de holle duisternis tot onze verbeelding. We bevonden ons onder de oude stad, het havenkwartier dat zijn kreken, grachten, vlieten en ruien sinds lang naar de onderwereld had verbannen. Weer werd een putdeksel weggeschoven en overviel ons de stalen donder onder de gewelven en het licht dat zich naar binnen boorde. De herhaling van een nieuw nummer meldde dat we op koers lagen en nog niet door de ingewanden van de stad waren verzwolgen. Rechts terzijde klonk geruis van vallend water. In een matte glinstering zagen we dat het uit een hoger gelegen gang kwam aanstromen en tussen de spijlen van een rasterwerk door spoelde. Daarachter worstelden voorwerpen om zich te bevrijden. Ik kon ze niet thuisbrengen. Plastic, kadavers, huisraad op drift?

Wij veranderden van richting en voeren stroomopwaarts. Het zwarte water vloeide als fluweel langs de huid van de roeiboot. Een mossige substantie waarmee de overkoepelende gewelven leken bekleed, verglom in het tastende licht. We waren schimmen in de Hades. Soms even tot leven gewekt als een stalen putdeksel de hemel voor ons opende. Daarna gleden we als Eurydice terug naar ons schemerbestaan. We hielden vol tot we weer zwijgend en zonder omkijken de trap naar de wereld der levenden bestegen. We gingen uiteen met een gemeenschappelijke ervaring waarin nauwelijks een woord was gewisseld. Een schaduwspel. Een geluidloze droom.

Mijn vrienden vonden het nauwelijks een bijdrage aan het gesprek over exclusieve excursies. `In Amsterdam vaart men door de grachten, in Antwerpen door het riool', concludeerden ze laconiek.

Het klonk als een Belgenmop. Mij was het ernst.