Referendum kan einde maken aan Euro-despotisme

Het pleidooi van de Duitse Eurocommissaris Verheugen voor een referendum over de uitbreiding van de Europese Unie, is onmiddellijk neergesabeld door de politieke elite in Europa. Dat is niet terecht, vindt Paul Kapteyn. Wie nog een klein beetje burgerzin in zijn ransel heeft, is voorstander van een volksraadpleging.

Het licht komt uit het Oosten. Dat geldt zeker voor de Europese integratie waar eerst Joschka Fischer de politieke elite aan het schrikken bracht met zijn pleidooi voor een federaal Europa en nu voor een andere Duitser, de socialistische Eurocommisaris Günter Verheugen in een vraaggesprek met de Süddeutsche Zeitung (zie NRC Handelsblad van gisteren). De verschillen zijn groot. Waar de een vóór pleit, is de ander tegen. Verheugen wil geen federatie. Hij wil een Duits referendum over de uitbreiding van de EU. Toch zijn de overeenkomsten frappant. Beiden keren zich tegen de politieke elite die in geheim overleg de volgende bestemming van de Europese trein bepaalt en de reizigers zonder pardon daarheen vervoert.

Formeel hebben parlementen het laatste woord. In feite zijn de meeste leden onwetend en niet toegerust om het Europese overleg te doorgronden. Een enkeling weet beter, maar hij behoort zelf tot de politieke elite, of wil dat graag, en houdt wijselijk zijn mond. Zo niet deze Duitsers. Zij spreken en zijn als twee `dissidenten' te beschouwen die getuigen van hun burgerzin.

Verheugen noemt de euro als waarschuwend voorbeeld. Het besluit daartoe werd van bovenaf bekokstoofd. Dat niet weer, vindt hij. Belangrijke verdragen raken de kern van de nationale soevereiniteit en dienen derhalve rechtstreeks aan de burgers te worden voorgelegd. Zo'n verdrag is de toelating van meerdere Oost- en Midden-Europese staten. Een volksraadpleging hierover is riskant. Maar waar anderen de besluitvorming het gebruikelijke `low profile' willen geven – bang als ze zijn voor irrationeel sentiment – is Verheugens oordeel tegengesteld. De zaak ligt gevoelig en vereist juist daarom een publiek debat. Het middel daartoe is een referendum waarbij politici opening van zaken geven, publiekelijk moeten overtuigen en de burger zich een oordeel vormt.

Verheugens oproep richt zich tot de Duitsers en laat zien hoe niet alleen binnen Fischers Groenen, maar ook binnen de sociaal-democraten de urgentie van het Europadebat groot is en naar nieuwe middelen wordt gezocht om het probleem van het democratische tekort aan te pakken. Opnieuw is het verschil met Nederland opvallend. Staatssecretaris Dick Benschop (Europese Zaken) deed Fischers gedachten af met de opmerking dat Europa de federatie al voorbij zou zijn en zich gelukkig mocht prijzen in het land der netwerken te zijn aangeland. Hetzelfde dédain treft de mogelijkheid van een Europees referendum. Dit onderwerp wordt eenvoudig doodgezwegen. De politieke elite in dit land vormt wat dit betreft een gesloten kaste met als code dat over alles wat Europa `een gezicht' zou kunnen geven, wordt gezwegen of denigrerend wordt gedaan. Dat geldt voor de federale gedachte en voor een referendum evenzeer.

Voorstellen daartoe komen van buitenstaanders, van GroenLinks, de SP en enkele intellectuelen die in de Balie of een ander podium voor debat het verlicht despotisme aan de kaak stellen. Tevergeefs. Een steentje in de vijver, en daar blijft het bij. `Ach een referendum', zei oud-premier Ruud Lubbers eens, dat doet mij aan het goede Zwitserland denken, waar ze voortdurend de stemhokjes in- en uitlopen. Dat leidt tot niets. Oud-voorman van D66 Hans van Mierlo maakte het nog bonter. Deze uitvinder van het referendum in Nederland merkte als minister op dat hij niet op een Europees referendum aan zou sturen. Zoiets moest uit de bevolking komen, en verder zag hij het wel. De andere regeringspartij, de VVD, is sowieso tegen een referendum. Van deze partij valt dus niets te verwachten. De PvdA is, zeker waar het Europa betreft, even regentesk. Noch het woord federatie noch het woord referendum komt de sociaal-democraten uit de mond, en als ze wordt gevraagd wat ze ervan vinden, is misschien Piet Dankert een goed voorbeeld: zwijgen en een rood hoofd. Van huis uit zijn socialisten federalisten. Eens pleitte de gelauwerde Europeaan voor deze richting met Sicco Mansholt knikkend op de voorste rij. Dat maakt thans het zwijgen pijnlijk.

Die pijnlijkheid geldt ook voor een referendum. Dat is de beste manier om Europa `bij de burger' te krijgen en omgekeerd. Eén keer in de vier jaar schreit de politieke elite hete tranen bij de zoveelste verkiezingen van het Europarlement die minder mensen trokken dan de vorige. Waar zijn we eigenlijk mee bezig, is dan de vraag. Maar die onzekerheid is schijnheilig. In ieder geval duurt de gemoedstoestand kort. In plaats van serieus over een referendum te debatteren, gaan de Euro-despoten verder met wat ze al jaren doen, regeren zonder pottenkijkers. Europa is er voor de Europeanen, en dat zijn vijftien regeringsleiders, bijgestaan door laten we zeggen twee schildknapen per persoon en enkele hovelingen. Dit gezelschap speelt het Europa-monopolie. De Nederlandse vertegenwoordiger is Kok.

Hij is – het kan niet anders – de spil van de Nederlandse zwijgzaamheid, die aldus zijn eigen speelruimte vergroot. Hij heeft het beste voor. Dat behoeft geen twijfel. Hij regelde de euro voor dit land en dat deed hij naar eer en geweten. Maar ook achteraf rijst de vraag of deze inbreuk in de nationale soevereiniteit niet zo verstrekkend is dat een volksraadpleging wenselijk was geweest, als democratische plicht èn om draagvlak te scheppen.

Wat is het Nederlandse antwoord en wat zijn daarvan de consequenties voor de uitbreiding? Dat zijn de vragen die naar aanleiding van de oproep van Verheugen in Nederland moeten worden gesteld. Een Kamercommissie zou de Nederlandse besluitvorming rondom het Verdrag van Maastricht eens moeten uitvlooien. Ze zal tot de conclusie komen dat van serieuze oordeelsvorming geen sprake is geweest, noch in het parlement, noch in de regering, laat staan daarbuiten. De euro is met alle goede bedoelingen inderdaad in kleine kring bekokstoofd. Moet dat zo blijven gaan? Wie nog een klein beetje burgerzin in zijn ransel heeft, weet het antwoord wel. Hij wil dat zijn stem wordt gehoord en dat hij rechtstreeks wordt geraadpleegd. Er is geen andere genoegdoening voor zijn gekrenkte burgertrots.

Deze oproep is niet nieuw, maar stuit steeds op de muur van stilte. Geen regent durft het aan met Europa de straat op te gaan. Waarom toch deze miezerigheid? Het is waar, de uitbreiding ligt hier – achter de rug van het grote Duitsland – minder gevoelig. Bovendien is onze invloed in Europa beperkt. Dus waarom zouden we ons druk maken in dit land van rekenmachines en moralisten op wereldformaat voor wie Europa te groot of te klein is.

Maar dat oordeel is onterecht. Europa is uitgegroeid tot de meest optimale eenheid van ons handelen. Het zou wijs zijn als mensen daarover beter werden geïnformeerd en daarbij meer werden betrokken.

Misschien kan Verheugens oproep helpen. De Eurocommissaris ervaart aan den lijve hoe de onderhandelingen met de nieuwkomers in een vacuüm worden gevoerd en hij vreest voor de gevolgen. Dat vacuüm wordt in feite gevuld door de vijftien regeringsleiders die uiteindelijk bepalen wat Verheugen moet doen. Maar dat is niet wat hij zoekt. Hij zoekt het Duitse volk, dat het meest direct met de gevolgen zal worden geconfronteerd. Hij zoekt democratische dekking die een referendum hem zou kunnen bieden. Zo versterkt zijn oproep zijn eigen positie – en die van de Commissie in haar geheel – tegenover die van de Raad van regeringsleiders. Bij hen is de eerste reactie afwijzend en wordt de aanval op het monopolie afgeslagen. Misschien zal na enige tijd met name de Duitse regeringsleider Schröder boven deze competentiestrijd tussen Raad en Commissie uitstijgen en ziet hij, en met hem zijn partij, de wijdere portee van de zaak. Als dat gebeurt, is ook de schroom van Nederland achterhaald en kan een nieuw kabinet en een nieuwe premier vrijelijk het Duitse voorbeeld volgen. Hoe dan ook, het Europees referendum moet op de politieke agenda en hoort in een nieuw regeerakkoord.

Paul Kapteyn is verbonden aan

de vakgroep politieke en sociaal-culturele wetenschappen van de Universiteit van Amsterdam.