Raad voor de Journalistiek blijft onmisbaar

Ondanks een recente dubieuze uitspraak, blijft de Raad voor de Journalistiek zinvolle taken vervullen, meent F. Kuitenbrouwer.

Als het stempel `dienstgeheim' op een stuk staat zal de journalist die desondanks in bezit raakt van dit document, alleen al vanwege dit stempel zich hebben te onthouden van publicatie van de informatie.

De wereld zou een stuk simpeler zijn als deze stelling juist was. Maar dat is hij niet. En dat is maar goed ook, want geheimhouding is de doodsvijand van de democratische openheid die de journalistiek juist behoort te dienen. De `waakhondfunctie' wordt dat genoemd door het Europese Hof voor de Mensenrechten in Straatsburg dat waakt over de fundamentele vrijheden in ons werelddeel.

Er bestaat dan ook een elementaire rolverdeling als het om geheimen gaat (even afgezien van de speciale categorie van echte staatsgeheimen). Inbreuk op een ambts- of bedrijfsgeheim is alleen strafbaar wanneer op de betrokkene uit hoofde van zijn functie een geheimhoudingsplicht rust. Buitenstaanders – zoals journalisten – kunnen straffeloos van andermans geheimen kennis nemen zolang zij degene die zijn geheimhoudingsplicht schendt maar niet daadwerkelijk op het slechte pad hebben gebracht. Want dat zou strafbare uitlokking zijn.

Stelen van andermans geheimen mag natuurlijk al helemaal niet. De strafwet kent een schoonheidsfoutje, een algemene strafbaarheid van het voorhanden hebben van informatie waarvan men moet beseffen dat hij afkomstig is van een illegale tap. De grondregel is echter dat een uitgelekt geheim vrij is.

Deze fundamentele spelregel is het kind van de rekening in de recente beslissing van de Raad voor de Journalistiek over een klacht van de Amsterdamse hoofdofficier van justitie J.M.Vrakking tegen RTL Nieuws. Dit had fragmenten uitgezonden van een rechtszitting met gesloten deuren tegen Mink K., de spil in een ingewikkeld schimmenspel van politie, informanten en wapens. Door een onzorgvuldigheid was de geluidsverbinding met de perskamer open blijven staan en konden de media meeluisteren. En opnemen. Er was dus geen sprake van heimelijke taps.

Toch oordeelde de raad dat RTL Nieuws de beroepsnorm had overschreden. Voluit heet het dat ,,de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is''. Het enkele feit dat de rechter de deuren had gesloten betekent volgens de raad dat de journalist zich heeft te onthouden van publicatie. Hij dient er van uit te gaan dat de rechter het belang van de vrije nieuwsgaring bij zijn beslissing de deuren te sluiten al heeft meegewogen.

Deze extra overweging maakt de miskenning van de journalistieke taak door de raad alleen maar erger. Meewegen van de vrije nieuwsgaring door de rechter veronderstelt dat de rechter zich in het concrete geval op de hoogte stelt van de belangen van de media, die trouwens grondwettelijk zijn erkend. Dit is in een strafzaak echter een kwestie van `over u maar zonder u'. De discussie over al dan niet sluiten van de deuren in een strafzaak gaat over het hoofd van de media heen tussen rechter, aanklager en verdediging.

Dat kan strafprocessueel gezien moeilijk anders, maar dan moet de raad het niet voorstellen alsof het belang van de vrije nieuwsgaring ten volle tot zijn recht is gekomen. Helemaal vreemd is dat de journalist van de raad wel mag berichten over mededelingen van procesdeelnemers over de besloten zitting maar niet gebruik mag maken van een geluidsverbinding die de justitie nota bene zelf heeft laten open staan.

De raad miskent ook dat het beoordelen van de nieuwswaarde van bepaalde gebeurtenissen die ten grondslag ligt aan de vrije nieuwsgaring bij uitstek een journalistieke afweging is die per medium kan verschillen. Dit is geen vrijbrief. Het gaat niet aan om onder dekking van de vrijheid van meningsuiting zomaar `brand' te roepen in een volle bioscoop. De journalistieke vrijheid moet wijken voor een clear and present danger, zoals dat in de Verenigde Staten wordt genoemd. Maar daarvan is in de RTL-beslissing geen sprake. De raad verwijt de omroeporganisatie ,,dat niet is gebleken dat de belangen van de verdachte en van justitie zijn meegewogen bij de beslissing uit te zenden.'' Dat is echter nog geen concreet risico waarvan een serieuze journalist op zijn klompen kan aanvoelen dat hij te ver gaat.

Het is verontrustend dat de Raad voor de Journalistiek zich zo op sleeptouw heeft laten nemen door de justitiële verbodscultuur. Hoofdofficier Vrakking heeft al eens eerder geprobeerd onwelgevallige publicaties aan te pakken met het zelfbedachte delict van `gegevensheling'. De vroegere `super-PG' Docters van Leeuwen dreigde kranten met processen over lekken in plaats van zich ter harte te nemen waar deze lekken in zijn eigen organisatie eigenlijk ontsproten en waarom.

Er is in de strafrechtspleging een moeilijk te definiëren maar daardoor niet minder belangrijke stelregel van `fair play'. Het is op z'n minst onsportief de media de schuld te geven van een justitiële flater.

Justitie en politie zelf maken juist graag gebruik van toevalstreffers. Een klassieke casus betreft een politie-agent die ter controle van de Horecawet de achterkamer van de kroegbaas betrad en daar een verboden jachtgeweer aan de muur zag hangen. Daarvoor kon hij rustig een verbaal uitschrijven ook al was hij daar helemaal niet voor binnengekomen.

RTL heeft aangekondigd haar steun aan de stichting Raad voor de Journalistiek te beëindigen. Dat heeft volgens de omroeporganisatie niets te maken met deze uitspraak. Dat werd ook gezegd toen het weekblad Elsevier na een `verloren' zaak (tegen oud-minister Van Mierlo) besloot de Raad voortaan links te laten liggen. In beide gevallen zijn bezwaren aangevoerd tegen de benoeming van oud-bewindslieden als Van Thijn en Sorgdrager tot lid van de raad.

Afhaken van de media, met welke precieze aanleiding ook, is het kind met het badwater weggooien. De Raad voor de Journalistiek vervult een aantal functies die de moeite waard zijn:

Professionele toetsing. Journalisten beroepen zich bij allerlei gelegenheden op hun beroepsstatus, met als sterkste voorbeeld de bescherming van vertrouwelijke zegslieden. Het minste is dan wel dat de media zich niet afsluiten voor zelfonderzoek.

Externe klachtenbehandeling. Journalisten realiseren zich niet altijd wat het betekent om in het nieuws te komen (tot de eigen redactie onderwerp van berichtgeving door anderen wordt, want dan zijn schampere kanttekeningen vaak niet van de lucht). Niet de minste functie van de raad is dat zij mensen in het nieuws een gelegenheid geeft iets terug te zeggen. Klachten zijn trouwens ook een nuttige bron van consumenteninformatie voor (hoofd-)redacties.

Bufferfunctie. De raad is, zoals de aangehaalde beroepsnorm al aangeeft, een intermediair tussen de eisen van de journalistieke beroepsuitoefening en het commune recht. Deze functie wordt onderstreept door een uitspraak van het Europese Hof voor de Mensenrechten van 21 januari vorig jaar in de zaak tegen de journalisten Fressoz en Roire van het Franse weekblad Le Canard Enchainé. Zij hadden vertrouwelijke (belasting-)gegevens over een topman van het bedrijf Renault gepubliceerd. Het hof verbond het recht van de media vertrouwelijke informatie te openbaren over kwesties van algemeen belang aan vier voorwaarden, waaronder `overeenstemming met de journalistieke ethiek'.

De vraag is hoe deze ethiek vorm krijgt. Een formele erecode, waarom telkens weer wordt geroepen, biedt geen soelaas. Hij blijft in de fraaie typering van de hoogleraar mediarecht G.A.I.Schuijt steken in ,,vanzelfsprekendheid, vaagheid en beknoptheid'', waar niemand veel mee kan doen. Een code werkt bovendien verstarrend terwijl de journalistieke beroepsethiek voortdurend met nieuwe situaties en problemen krijgt te maken.

Zo komt men op het hoge gezag van Straatsburg toch weer uit bij de Raad voor de Journalistiek die van geval tot geval oordeelt. Zij heeft behartenswaardige uitspraken op haar naam staan over hoor en wederhoor, privacybescherming, het verstrekken van informatie onder embargo. En af en toe ook rare beslissingen zoals het afkeuren van de kwalificatie charlatan in de ene boekbespreking (Foudraine) terwijl dat in een andere (Oltmans) werd geaccepteerd.

Veel van de journalistieke bezwaren tegen de raad zijn terug te voeren tot het hardnekkige misverstand dat het een soort tuchtrechter zou zijn. De eerste voorzitter van de raad, prof.J.A. van Hamel, stelde echter al buiten twijfel: ,,Voor een Raad van Discipline, of Raad van Berechting, of van Inquisitie bood en biedt de Nederlandse perswereld geen plaats. Niemand zou daarnaar verlangen. De Raad zelf allerminst''.

De Raad voor de Journalistiek is in de woorden van Van Hamel een `Raad van Opinie'. Zij moet het met andere woorden hebben van het intrinsieke gezag van haar uitspraken in de beroepsgroep. Het is de vraag of het aanstellen van betrekkelijk verse oud-bewindslieden, met hun eigen axes to grind, deze overtuigingskracht ten goede komt. Maar dat was in de RTL-zaak niet aan de orde.

Iets anders is dat journalisten vaak een lichtgeraakt volkje zijn als zij door hun eigen Raad van Opinie ter verantwoording worden geroepen. De RTL-beslissing valt daar in elk geval niet mee af te doen. Het enige wat er op zit is, in de woorden van Schuijt: ,,over ethische vragen moet men discussiëren en blijven discussiëren''. Vooral dat laatste. Zodat het bij deze misser blijft.

F.Kuitenbrouwer is redacteur van NRC Handelsblad. Van 1973 tot 1993 was hij lid van de Raad voor de Journalistiek. De uitspraak van de Raad voor de Journalistiek is te lezen op internet: www.anp/nl/rudy.