Missie gezocht

DE COMMISSIE-Bakker heeft onderzocht; de Tweede Kamer alvast voorzichtig gesproken. Den Haag is het eens: als het gaat om de uitzending van Nederlandse militairen naar het buitenland kan in de besluitvormingsprocedure veel worden verbeterd. Soms zijn de uitkomsten van een parlementaire onderzoeksexercitie wel heel erg voorspelbaar.

Met het rapport `Vertrekpunt Den Haag' heeft de Tijdelijke Commissie Besluitvorming Uitzendingen van de Tweede Kamer onder leiding van het D66-Kamerlid Bakker gisteren een zeer lijvige studie naar de gang van zaken rond Nederlandse troepenleveranties afgeleverd. Er ligt een degelijke inventarisatie waarin wordt aangegeven welke afwegingen, belangen, en hindernissen bij dergelijke beslissingen een rol spelen. Dat op de weg tussen het eerste voornemen om militairen beschikbaar te stellen en de daadwerkelijke uitzending veel mis kan gaan, is haarfijn aangetoond. Maar, wisten we dit niet al? De commissie heeft een indrukwekkende hoeveelheid gegevens en materiaal bij elkaar gezocht om haar conclusie te staven, maar tot echt nieuwe inzichten heeft het onderzoek niet geleid.

Het rapport van de commissie-Bakker toont nog eens aan dat achter een ogenschijnlijk vloeiend besluitvormingsproces een veel ingewikkelder en minder doorzichtige procedure plaatsheeft. Als het gaat om Nederlandse deelname aan vredesoperaties hebben de meest betrokken departementen, die van Buitenlandse Zaken en Defensie, verschillende motieven. Daarbij gaat het niet alleen om de ambtenaren, maar ook om de bewindspersonen zelf. Bij de politieke oordeelsvorming is niet altijd sprake van consistentie: eerder geformuleerde voorwaarden willen nog wel eens verlaten worden. De informatievoorziening van ambtenaren aan de politieke top, dan wel van bewindslieden aan de Tweede Kamer laat soms te wensen over. Het zijn waarnemingen die inmiddels vertrouwd aandoen. Ze zijn geheel in lijn met onderzoeken van de Kamer naar geheel andere onderwerpen, zoals de sociale zekerheid en de bouwsubsidies. Als zoveel instanties en belangen in het geding zijn, zal achteraf altijd een onvolkomen besluitvorming geconstateerd kunnen worden.

DAT NEEMT NIET weg dat naar verbetering gestreefd moet worden. Als het gaat om het uitzenden van Nederlandse militairen naar het buitenland doet de commissie-Bakker een groot aantal aanbevelingen. Maar ze dragen veelal het karakter van de goede bedoeling. Natuurlijk moet de regering tegenover de Tweede Kamer zo volledig mogelijk zijn bij het aangeven van de motieven, even vanzelfsprekend is dat het informeren zoveel mogelijk in de openbaarheid gebeurt. De criteria moeten helder en toetsbaar zijn. Maar zoals de commissie zelf stelt, berusten de besluiten om deel te nemen aan vredesoperaties uiteindelijk op politieke overwegingen. Dit betekent dat een `mathematische' benadering onmogelijk is.

De Tweede Kamer heeft in 1995 met de instelling van het zogeheten `toetsingskader' getracht de voorwaarden bij de uitzending van militairen naar het buitenland te objectiveren. Er is nu een vaste checklist die als leidraad dient. Het gevolg hiervan is dat er vergeleken met het begin van de jaren negentig al veel is verbeterd. Met het recentelijk van kracht worden van het nieuwe artikel 100 van de grondwet zijn de afspraken tussen parlement en regering bij militaire missies naar het buitenland geformaliseerd. Strikt genomen voegen de aanbevelingen van de commissie Bakker hier weinig aan toe.

IN TEGENSTELLING tot de sfeer die gewekt werd tijdens de voorbereidingen van het onderzoek en de openbare verhoren heeft de commissie-Bakker geen verkapt Srebrenica-rapport geproduceerd. De commissie heeft nadrukkelijk geen bevindingen gedaan over wat zich heeft afgespeeld rondom de val van de moslim-enclave in Bosnië. Men heeft zich strikt gehouden aan het politiek zwaar onderhandelde mandaat en verwijst dan ook naar het onderzoek van het NIOD. Dat neemt niet weg dat ook tijdens de onderzoekswerkzaamheden van de commissie-Bakker vele van de vragen rondom het drama Srebrenica aan de orde zijn geweest. De commissie heeft ze niet mogen beantwoorden. Tegelijk heeft de commissie wel de omstandigheden geschetst waarin besluitvorming over het algemeen heeft plaatsgehad. Die maken opnieuw duidelijk dat een volwaardige parlementaire enquête naar de gebeurtenissen in Srebrenica nog steeds gewenst is.