Militaire top moet niet buigen voor politiek

De aanbevelingen van het gisteren gepubliceerde rapport van de Commissie-Bakker bieden geen garantie voor een betere besluitvorming bij vredesoperaties, meent J. Schaberg.

In 1993 namen regering en Kamer het besluit een bataljon naar Srebrenica te sturen. Het werd een ramp. In 1998 ging het weer fout. In oktober van dat jaar besloot de Kamer tot inzet van Nederlandse F16's tegen Joegoslavië, mocht het tot een internationaal optreden rondom Kosovo komen. Zonder zicht op de mogelijke consequenties rolde Nederland automatisch een oorlog in. Het werd de Tweede Kamer uiteindelijk duidelijk dat er met de besluitvorming iets mis was; de werkelijkheid bleek achteraf telkens anders dan men ten tijde van de beslissing veronderstelde. De zogeheten Commissie-Bakker zou de besluitvorming onderzoeken.

Het belang van het gisteren gepubliceerde rapport ligt niet in waarheidsvinding rondom de individuele fouten die overal zijn gemaakt. Veel belangrijker is de onverhuld getoonde structurele gebrekkige communicatie tussen de belangrijkste actoren, de bewindslieden, de militaire autoriteiten en de Kamer. Er was gebrek aan kennis, er was wereldvreemdheid en arrogantie; overschatting van eigen mogelijkheden. Iedereen praatte daarbij door elkaar heen.

Het inzetten van de Nederlandse krijgsmacht blijft altijd een nationale beslissing. De vraag moet zijn hoe die besluitvorming kan worden verbeterd. Helaas helpen de aanbevelingen van de commissie daarbij niet. Ze lijken met weinig inzicht geschreven: als iedereen iedereen volledig op de hoogte houdt over alles wat er binnenkomt, zal het wel goed gaan. Alles wordt met procedures en briefwisseling dichtgetimmerd. Een eindeloze stroom informatie gaat naar de Kamer. Het destijds vastgestelde `toetsingskader voor deelname aan vredesoperaties', een lijstje met voor de hand liggende punten wordt door de commissie nog eens aangevuld. Maar dit geeft in de praktijk geen houvast. Een militaire operatie is geen boekhouden, waarbij de Kamer als accountant de boeken goedkeurt. Het gaat om een vorm van oorlog met alle onverwachtheden en onzekerheden.

Elke situatie is anders, maar het gaat in essentie altijd om een afweging tussen hetgeen politiek wenselijk en wat militair mogelijk is. Die zaken moeten scherp worden gescheiden. Elk der partijen heeft een eigen verantwoordelijkheid en moet zich niet mengen in die van anderen. De regering moet zich niet bij voorbaat laten leiden door geluiden uit de binnenlandse politiek, zoals in het geval van Srebrenica. Nog gevaarlijker is het als hoge militaire adviseurs zich in hun professioneel oordeel laten beïnvloeden door politieke overwegingen. Dat is het recept voor rampen. De Kamer tenslotte moet pas stelling nemen als ze alle informatie op tafel heeft. Kamerleden hebben dikwijls te vroeg gesproken en wilden vervolgens niet op hun standpunten terugkomen. Het voorstel van de Commissie-Bakker om de Kamer al bij het begin van de internationale sonderingen over militaire operaties te betrekken, is niet alleen onjuist, maar ook onrealistisch.

Hoge militairen hebben een specifieke eigen verantwoordelijkheid. Zij moeten de politieke leiding helder de mogelijkheden en problemen schetsen waarmee men te maken kan krijgen. Daar mag achteraf nooit misverstand over ontstaan, zoals in het val van Srebrenica. Een politiek niet welgevallig oordeel kan moeilijk zijn, maar dat brengt het ambt mee. Als hoogste commandant sturen zij andere militairen, die niet kunnen weigeren, naar levensbedreigende situaties. Het gebeurt weliswaar onder het primaat van de politiek, maar dat ontlast zo'n topmilitair niet van persoonlijke verantwoordelijkheid, waarop hij ook aangesproken kan worden. Als een bevelhebber van een krijgsmachtdeel, in een extreem geval, vindt dat het om een onverantwoorde operatie gaat mag hij troepen niet het gevaar insturen. Admiraal de Ruyter kon 350 jaar geleden nog tegen zijn politieke superieuren zeggen: ,,De Heeren hebben mij niet te verzoeken maar te gebieden'', maar dat past niet meer in deze maatschappij. De Amerikaanse generaal Schwarzkopf, de commandant van de troepenmacht in de Golfoorlog, verzette zich begin 1991 tegen de politieke opdracht het offensief al in te zetten. Eerst wilde hij een voldoend sterke troepenmacht opgebouwd hebben. Dat prerogatief om niet te buigen voor de politieke leiding moet voorbehouden blijven aan de absolute top van de krijgsmacht, anders is het wezen van de krijgsmacht verloren. Juist het weten dat de hoogste militaire commandant de persoonlijke afweging heeft gemaakt moet voor de andere militairen zekerheid verschaffen.

Als de verantwoordelijke militair zijn advies slechts kan afgeven en niet bij de uiteindelijke discussie zijn visie kan geven, gaat het bij moeilijke beslissingen fout. In landen met militaire ervaring geeft de militaire autoriteit persoonlijk toelichting tijdens het regeringsberaad over belangrijke militaire operaties. Ook het parlement moet de militaire autoriteit toelichting vragen over de problemen, de slaagkans en de risico's van de operatie. Juist zo'n heen en weer gaand gesprek kan vragen oproepen en duidelijkheid verschaffen.

Parlementsleden moeten ook persoonlijk aanspreekbaar zijn op de standpunten die zij uitdragen. Een houding van: ik kon niet anders, zoals uit de verhoren nogal eens blijkt, is verwerpelijk. Zij moeten zich oriënteren. Toen in 1993 Dutchbat werd uitgezonden, leek het alsof kamerleden in een luchtledige hun beslissing namen. Wist men niet dat Frankrijk, Engeland en Canada, koortsachtig naar wegen zochten om zich uit Bosnië terug te trekken? Vroeg men zich niet af waarom?

Even belangrijk is de publieksvoorlichting. Die moet ook van de militaire autoriteiten uit kunnen gaan. Weliswaar moet daarbij terughoudendheid worden betracht maar zo'n discussie voorkomt teleurstelling achteraf. Waarom doen politici hier zo verkrampt als een militaire autoriteit in het openbaar iets zegt over zaken waar ook hij grote verantwoordelijkheid voor draagt?

In een democratische staatsvorm kunnen verantwoorde beslissingen slechts worden genomen op basis van gelijkwaardigheid aan informatie. Maar die wordt niet verkregen door elkaar eindeloze pakken papier te sturen. Informatie moet ook begrepen worden. De actoren, regering, Kamer en de militaire autoriteit, hebben een verschillende verantwoordelijkheid, maar ook een verschillend kennisniveau. Goede beslissingen kunnen slechts genomen worden in een open dialoog met respect voor elkaars, ook publieke, verantwoordelijkheid, die nooit anoniem mag zijn.

J. Schaberg is generaal-majoor b.d. van de Koninklijke Landmacht.