Marktleider in `volstruis'

Zuid-Afrika is het land van de struisvogelindustrie. De bedrijfstak dateert uit de negentiende eeuw en wisselt tijden van bloei af met diepe dalen. Momenteel is er spraken van hoogconjunctuur, met een grote vraag naar leerproducten.

Al een handtasje van Prada aangeschaft mevrouw? Het is een van dè modeartikelen dit jaar, naar het schijnt en wordt gemaakt van kwaliteitszuiver struisvogelleer. Het modeblad Marie Claire constateert een terugkeer van de `hebberigheid-is-goed-trend' uit de jaren tachtig en daarin past het opzichtige damestasje precies. ,,De Prada-tas is bourgeois chic, bekoorlijk, gracieus en ziet er heel duur uit.'' Andere modehuizen, waaronder Gucci en Christian Dior, hebben het soepele doch sterke vogelleer ook ontdekt als ideaal materiaal voor het maken van schoenen, riemen en tassen. Dat is goed nieuws voor Zuid-Afrika, verreweg de grootste producent van struisvogelleer en andere producten afkomstig van de reuzenvogel, met name vlees en veren.

Oudtshoorn, een agrarische plaats in de Kleine Karoo, is sinds jaar en dag het middelpunt van de struisvogelbranche. Het droge, woestijnachtige klimaat van de Karoo, met hete zomers en zachte winters, is een omgeving waarin de `volstruis', zoals het beest op zijn Afrikaans heet, uitstekend gedijt. Zuid-Afrika kent een kleine duizend struisvogelboeren, die vooral in de Karoo hun bedrijven hebben. Van hen is het grootste deel (650) weer aangesloten bij de Klein Karoo Koöperasie (KKK). Ondanks de deregulering van de sector in 1993 voelen de meeste boeren zich nog altijd het veiligst bij de KKK, zo legt algemeen manager Coenie Coetzee in het Afrikaans uit – de bedrijfstak wordt sterk gedomineerd door de Afrikaners. De boeren die zijn aangesloten hoeven alleen hun vogels groot te brengen, daarna zorgt de coöperatie, met zijn duizend werknemers, voor de slacht en de verwerking van de dieren tot eind- en halfproducten. Zeventig procent van alle struisvogelproducten op de internationale markt is afkomstig van de KKK. Blijkens het jaarverslag 1999 steeg de omzet van 402 miljoen rand tot 422 miljoen (van 140 naar 147 miljoen gulden).

Door het `free for all' systeem van de markt steeg het aanbod van struisvogelleer de afgelopen jaren aanzienlijk, waardoor de coöperatie de prijzen zag dalen; de stijging van de omzet kwam tot stand dankzij een recordproductie aan huiden. Coetzee is ,,versigtig optimisties'' over de toekomst van het bedrijf. De markt gaat op en neer, zegt hij. In het midden van de jaren negentig was met name Japan een grote afnemer van struisvogelleer, door de Japanse economische crisis is daar de klad in gekomen. Coetzee hoopt dat met het aantrekken van de Japanse economie ook de vraag naar struisvogelproducten in het Verre Oosten weer zal stijgen. ,,Maar anders dan in het verleden (begin vorige eeuw) kan onze sector niet meer in elkaar klappen, daarvoor hebben we teveel diversiteit in producten, markten en belangen", aldus Coetzee.

Hoewel Zuid-Afrika op grote afstand marktleider is in de struisvogelwereld stijgt de teelt in landen als Israel, Namibië, Spanje en de de Verenigde Staten, waar men soortgelijke natuurlijke omstandigheden kan aantreffen. Coetzee is niet bang voor de buitenlandse concurrentie, in tegendeel, hij beschouwt de toenemende investeringen elders als signaal dat er geld te verdienen valt. Ook in Zuid-Afrika moet de Karoose coöperatie stevige mededinging dulden. In Mosselbaai, 100 kilometer van Oudtshoorn aan de zuidkust, opende concurrent Mosstrich Groep onlangs een nieuwe grote looierij, waar 50.000 huiden per jaar kunnen worden verwerkt.

De struisvogelindustrie begon in de jaren zestig van de negentiende eeuw, toen er wereldwijd een groeiende vraag bleek te zijn naar veren. Vooral aan de koninklijke hoven in Europa en in chique families droeg de modebewuste vrouw opzichtige hoeden met struisvogelveren. Zuid-Afrikaanse boeren en handelaren van buitenaf – onder wie een opvallend groot aantal joodse immigranten – roken geld en begonnen de loslopende inheemse reuzenvogels van de Karoo te domesticeren. Men kruiste de Zuid-Afrikaanse struisvogel met een variant uit het noorden van Afrika, die grotere en zachtere veren bleek te hebben. De dieren werden in die tijd uitsluitend voor hun veren gekweekt, aan andere producten dacht men nog niet. Het in 1847 gestichte Oudtshoorn, vernoemd naar nazaten van de vroegere Hollandse gouverneur Pieter van Reede van Oudsthoorn (1714-1773) werd als geografisch middelpunt van de Karoo het vanzelfsprekende centrum van de nieuwe industrie, die binnen kort tijd een grote vlucht nam.

Begin twintigste eeuw was de bedrijfstak zo uitgedijd dat struisvogelveren in één adem werden genoemd met goud en diamanten als de belangrijkste uitvoerproducten van Zuid-Afrika. In 1910 brachten 750.000 struisvogels veren op ter waarde van 2 miljoen pond sterling, voor die tijd een enorm kapitaal. In Oudtshoorn staan vandaag de dag nog de `verenpaleizen', de kolossale, protserige villa's met kokette torentjes, weidse balustrades en art nouveau-motieven die de `verenbaronnen' voor zichzelf lieten bouwen. Het veren-imperium stortte in 1914 met een klap ineen door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Europa had geen tijd en geld meer voor wulpse modegrillen en plotseling bleek hoe zwak het fundament van de struisvogelindustrie was. Miljonairs verwerden in kort tijd tot paupers en er had een grote uittocht uit Oudtshoorn plaats, maar geheel verdwijnen zou de struisvogelboer nooit.

De bedrijfstak leidde tussen de twee wereldoorlogen een kwijnend bestaan, maar de ontdekking dat behalve de veren het hele dier in feite bruikbaar was leidde na 1945 tot een opleving en uiteindelijk tot een breed opgezette branche. De vleesproductie en -consumptie begon begin jaren zestig, tien jaar later gevolgd door de eerste leerlooierijen. Tegenwoordig wordt zo'n beetje het hele beest gebruikt, tot en met de beenderen aan toe, die worden vermalen tot veevoer. Onbruikbare eieren – onbevrucht of niet uitgekomen – zijn gewilde souvenirs, al dan niet beschilderd. Struisvogeleieren, met de inhoud van ongeveer dertig kippeneieren, worden zelden gegeten, niet omdat ze niet zouden smaken, maar omdat het laten uitbroeden veel meer geld oplevert.

Van de drie huidige hoofdproducten afkomstig van de struisvogel neemt, naar inkomsten gemeten, leer met 65 tot 70 procent de belangrijkste plek in, vlees is goed voor 25 procent van de opbrengst en veren vormen de sluitpost met om en nabij de 10 procent. De mondiale verkoop beloopt nu tussen de 300 miljoen en 500 miljoen dollar per jaar.

Coenie Coetzee laat het ultramoderne abattoir en de leerlooierij annex ververij van de coöperatie zien, niet bestemd voor zwakke broeders, want zoals men mag verwachten in een slachterij loopt het slecht af met de dieren. Maar Coetzee wijst er op dat de struisvogels in hun betrekkelijk korte leven (een jaar) goed worden behandeld, ze lopen buiten op grote stukken grond en leiden tot de slacht een stressloos bestaan. Het slachten zelf gaat machinaal en efficiënt, met zo min mogelijk pijn voor de dieren. De met vrachtwagens aangevoerde vogels komen in stukken weer naar buiten. Het meeste vlees wordt diepgevroren en is bestemd voor de export, de veren gaan naar de veiling, terwijl de huiden naar de looierij gaan, grenzend aan het abattoir.

In de aankomsthal van de looierij hangt nog de stank van vers geslacht vee, de vellen zijn glibberig en bebloed. Elk vel krijgt meteen een microchip ingedrukt, waardoor het later altijd traceerbaar zal blijven. Het looiproces heeft vervolgens plaats in reusachtige ronddraaiende trommels.

,,We hebben in de loop der tijd geleerd het maximale uit de dieren te halen en steeds nieuwe toepassingen te vinden. Zo kwamen we er achter dat ook de huid van het scheenbeen tot leer te verwerken bleek te zijn'', zegt Coetzee. Behalve in de mode probeert de KKK nu General Motors zover te krijgen autostoelen met struisvogelleer te bekleden.

Ook de vleesproductie mag zich verheugen in toenemende vraag, met name uit het buitenland. In de reclame voor het struisvogelvlees wordt het product aangeprezen als `bijna vetvrij, laag in calorieën en cholesterol'. Onderzoekscijfers van de Universiteit van Port Elizabeth in Zuid-Afrika bevestigen dat struisvogelvlees wat betreft vet en calorieën beter (= lager) scoort dan alle andere vleessoorten, maar de bewering `laag in cholesterol' klopt niet. Kalkoenvlees is met 76 milligram per 100 gram gekookt vlees het laagste, struisvogelvlees komt op nummer 2 met 83 milligram, meteen gevolgd door rund- en varkensvlees (86 milligram). Het gezondheidsvoordeel is derhalve niet zo groot als de producenten wensen voor te geven. Blijft over de smaak: is het lekker? Vrijwel alle restaurants in Zuid-Afrika serveren het vlees, dat, anders dan men zou veronderstellen, niet wit is als kippenvlees, maar rood.

Even buiten Oudtshoorn ligt de struisvogelboerderij Safari, sinds 1932 in handen van de joods-Litouwse familie Lipschits. Midden in de uitgestrekte landerijen ligt het woonhuis, de schitterende hoeve Welgeluk, waar Stanley Lipschits (46), vertegenwoordiger van de derde generatie, ontspannen thee zit te drinken op zijn terras. Struisvogels en joden, dat rijmt niet met elkaar, geeft hij meteen toe, want het dier is volgens de Heilige Schrift door zijn teenvliezen per definitie onkoosjer. ,,Tja, het is handel hè, zolang ik het vlees niet eet is er niets aan de hand'', zegt de struisvogelboer laconiek.

De meeste joodse families – op het hoogtepunt van de verenindustrie waren het er 600 gezinnen, nu nog 18 – gingen na de crash van 1914 hun geluk elders beproeven. Een enkeling, zoals grootvader Lipschits, waagde het naderhand zich in de branche in te kopen, en met succes. Welgeluk, als verenpaleis gebouwd in 1910, kwam voor weinig geld in handen van de familie en is nog altijd een pronkjuweel.

Hoewel Stanley Lipschits klaagt over de huidige prijzen voor slachtvee boert hij zo te zien niet slecht. Met zijn quotum van 1.500 struisvogels per jaar heeft hij een goed bestaan. Hij wijst tijdens een rondtoer over zijn landerijen aan hoe de struisvogels op verschillende stukken golvende grond zijn ondergebracht in leeftijdscategorieën. De dieren voeden zich onder meer met harde grassoorten en krijgen bijvoeding in de vorm van geperste droge graskorrels en luzerne. Rond de elf maanden zijn de dieren met ongeveer 95 kilo op slachtgewicht en worden ze naar het abattoir gebracht. Een van Lipschits' uitgestrekte velden, met veel struiken en zandkuilen, dient als legplaats. Hier lopen de gelukkigste struisvogels rond, vrouwtjes die mogen blijven leven om eieren te leggen en mannetjes voor de bevruchting. Een struisvogel kan bij een normaal leven makkelijk veertig jaar worden, zegt Lipschits, de leghennen laat hij tot ongeveer 15 jaar rondlopen. ,,Pas op, kom niet te ver buiten de auto, struisvogels zijn niet bepaald vriendelijk voor mensen, ze kunnen je een fikse klap verkopen.'' De eieren, met het formaat van een rugbybal, blijven niet bij de hen, om de paar dagen worden ze opgehaald om ze in broedmachines te laten uitkomen. Op die manier verzekert de boer zich van een continue leg.

Zoals de meeste boeren heeft ook Lipschits een gemengd bedrijf, hij teelt ook nog groentes en heeft een toeristische afdeling die rondritten organiseert op de boerderij en een forse bijdrage levert aan de inkomsten. Het struisvogeltoerisme is zeer populair onder buitenlanders. De safari alleen al trekt tussen de 80.000 en 100.000 bezoekers per jaar. De toeristen mogen onder begeleiding van gidsen op struisvogeleieren lopen – gaan niet stuk – durfals kunnen een ritje maken op de rug van een vogel. Drie struisvogels, bereden door jockeys, houden een snelheidswedstrijd op een speciaal parcours.

's Avonds bij restaurant De Fijne Keuken staat er, uiteraard, volstruis in alle varianten op het menu. We nemen paté van struisvogellever als voorgerecht (niet denderend) en een forse steak met mosterdsaus als hoofddis (smaak zit dicht bij die van rundvlees en is niet slecht). Lekker eten, dat wel, maar de gedachte aan dat grote trotse dier in de slachterij waarvan vanmorgen de kop werd afgehakt, gaat moeilijk weg.