Homohuwelijk haalt de eindstreep

Het homohuwelijk mag rekenen op een breed draagvlak in de samenleving en in de Tweede Kamer, tot verdriet van sommige christenbroeders.

,,Het zogenaamde homohuwelijk druist zo rechtstreeks in tegen alles wat God ons in Zijn Woord voorhoudt, dat ik het politiek onverteerbaar vind als er ook maar één CDA-Kamerlid vóór de wettelijke verankering van dat `huwelijk' zal stemmen. Is dat wel het geval, dan maakt het CDA zich mede schuldig aan het verder slopen van de christelijke fundamenten van de Nederlandse samenleving. Op die manier draagt het CDA tevens bij aan de verzwakking van de christelijke politiek in de 21ste eeuw.''

SGP-voorman Bas van der Vlies gaf eind vorig jaar in Ridderkerk maar vast een daverend schot voor de boeg. Hij zou het ,,hoogst kwalijk'' vinden als het CDA – al was het maar deels – zou meewerken aan het ,,omkeren van bijbelse waarden en het omvertrekken van de grondpijlers van ons rechtsbestel. Juist op zo'n wezenlijk punt als het huwelijk dienen christenen één lijn te trekken.''

Van der Vlies' waarschuwing was ruim bijtijds, want de Tweede Kamer debatteert pas deze week over twee wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek die het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht en adoptie door personen van hetzelfde geslacht mogelijk moeten maken. Hij is tegen het homohuwelijk en tegen het recht voor homoparen om kinderen te adopteren.

Rechtstreekse aanleiding tot de wetsvoorstellen vormen twee moties die vijf jaar geleden een meerderheid in de Kamer kregen en die leidden tot de Commissie-Kortmann. Die werd in 1996 ingesteld en adviseerde het jaar daarop – verdeeld – om het huwelijk `open te stellen'. Vijf leden waren voor, drie leden tegen.

Voor de liberale minister Korthals (Justitie) en zijn sociaal-democratische staatssecretaris Cohen niettemin reden genoeg om met de twee wetsvoorstellen te komen, die volgens strikte juristen artikel 1 van de Grondwet, dat een garantie voor gelijke behandeling moet bieden, wat meer uit de verf laten komen. De bewindslieden hebben het daarmee, naar verluidt, toch gewonnen van hun ambtelijk apparaat, want zowel de nu vigerende Wet op het geregistreerd partnerschap als de nu voorgestelde openstelling van het huwelijk is door ambtenaren van het ministerie van Justitie op alle mogelijke manieren tegengewerkt, zo wordt in homoseksuele kring beweerd.

De politieke strijd zal deze week als vanouds worden gevoerd onder `christenbroeders'. Het christelijk deel van de natie zoals dat wordt weerspiegeld in de Tweede Kamer, lijkt de slag echter op voorhand te hebben verloren. Een ruime meerderheid in de Kamer, maar ook in de Nederlandse bevolking, 62 procent, heeft immers geen bezwaar tegen de invoering van het homohuwelijk, zo bleek afgelopen weekeinde uit een onderzoek van het NIPO, in opdracht van het Reformatorisch Dagblad. Vrouwen staan er positiever tegenover dan mannen. Van de mensen die niet naar de kerk gaan, is 72 procent voor. Bij rooms-katholieken en hervormden is dat percentage lager, maar is er altijd nog een meerderheid. Alleen onder gereformeerden zijn meer tegen- dan voorstanders.

Het gevecht kent inmiddels een lange historie. In 1911 bijvoorbeeld werd het Nederlandsch Wetenschappelijk Humanitair Komitee (NWHK) opgericht. Het hield zich in de eerste helft van deze eeuw bezig met de strijd tegen de vervolging van homoseksuelen op grond van het gevreesde artikel 248-bis van het Wetboek van Strafrecht. Dat artikel was in dat jaar door de confessionele partijen ingevoerd. Het verbood alle homoseksuele contacten – ook die van vrouwen – tussen een meerderjarige en een minderjarige. De leeftijdsgrens lag toen op 21 jaar.

Volgens de Utrechtse professor dr. R.A.P. Tielman (humanistische sociologie) heeft Nederland historisch bezien dankzij de Franse Revolutie nog een goede staat van dienst als het gaat om de wettelijke behandeling van homoseksuelen. Sinds 1811 zijn homoseksuele contacten tussen volwassenen in ons land al niet meer strafbaar. In Duitsland en in Engeland is dat pas sinds enkele decennia het geval, terwijl een groot aantal Amerikaanse staten daar nog altijd niet aan toe is.

Het eerder genoemde strafrechtartikel, 248-bis, zou echter nog tot 1971 bestaan en vormde voor homoseksuelen een `ijzeren gordijn' tussen jong en oud, een vorm van leeftijdsdiscriminatie die overigens ook al vreemd is aan de strekking van de Grondwet. Op grond van het artikel zijn in het verleden duizenden homo's veroordeeld, slachtoffer geworden van chantage of tot zelfmoord gedwongen, aldus Tielman eerder dit jaar.

De kritiek op het gewraakte artikel is in de loop van de jaren zestig toegenomen. In 1968 was 56 procent van de Nederlandse bevolking van mening dat homo's moesten leven zoals ze dat zelf wilden, een percentage dat in 1981 tot 87 procent is toegenomen. In 1968 vond 60 procent van de ondervraagden homoseksualiteit smerig, afwijkend of abnormaal. Dat was in 1981 nog slechts 20 procent. Het maatschappelijk draagvlak voor gelijke behandeling van homoseksuelen is duidelijk toegenomen.

Hoewel er volgens staatsrechtjuristen bij de aanpassing van de Grondwet in 1982 een gouden kans was om het gelijkheidsbeginsel ernstig te nemen, is het ook toen nog verre van zelfsprekend gebleken dat mannen met mannen en vrouwen met vrouwen zouden kunnen trouwen. Een belangrijke factor was bij die overweging de positie van kinderen. Niettemin zijn al tienduizenden kinderen door homo's en lesbiennes opgevoed, ook zonder wettelijke regeling.

Wellicht zullen de kleine christelijke partijen na afloop van het debat om een hoofdelijke stemming vragen, om te zien wie er binnen het CDA `verraad pleegt' om in Van der Vlies' redenering te blijven. Ten minste één PvdA'er zal bij die gelegenheid ook `tegen' roepen, Thanasis Apostolou. Tot weerzin van zijn fractie zei hij bij het verschijnen van het advies van de Commissie-Kortmann al dat je nooit ,,een trend tot norm moet verheffen.''