Cursus onkreukbaarheid

en jaar geleden dachten de politiek verantwoordelijke bestuurders van Amsterdam dat ze de corruptie en fraude in het ambtelijk apparaat van de gemeente bedwongen hadden. De geldophalers van de Dienst Parkeerbeheer die de omvangrijkste fraude op hun naam hadden staan en collectief enkele miljoenen uit de parkeermeters in hun eigen zak haden gestoken werden gestraft, terwijl al eerder hun passieve chefs en andere toezichthouders waren overgeplaatst of op non-actief gesteld. Intussen werd de Dienst Parkeerbeheer gereorganiseerd en het parkerende publiek verzekerd dat elke parkeergulden zijn bestemming zou vinden.

Even later baarde de journalist Jos Verlaan opzien met een grondig gedocumenteerd boek waarin hij onvervaard het taboe op de ambtelijke corruptie in Amsterdam doorbrak. Corruptie was tot dan toe zo onderschat dat het vrijwel buiten de aandacht van de gemeenteraad was geraakt. Verlaan toonde aan dat het in omvang en brutaliteit nauwelijks onderdeed voor de levendige fraude en omkopingspraktijken uit de 17e eeuw.

De Parool-verslaggever had voor dat boek (Chaos aan de Amstel, uitg. Sun 1999) de zilveren penning van de stad moeten krijgen, de onderscheiding waarmee Amsterdammers worden geëerd die zich voor de gemeenschap zeer verdienstelijk hebben gemaakt. Maar in plaats daarvan probeerde het lauw reagerende stadsbestuur zijn onthullingen te bagatelliseren: Verlaan had oud nieuws opgewarmd.

,,De eerste reactie, ook in bestuurlijke kring, was dat hij oude koeien uit de sloot haalde'', schrijft Marjanne Sint met een halve schuldbekentenis in een bespreking van het boek in het jongste nummer van Socialisme en Democratie. Sint, ex-voorzitter van de Partij van de Arbeid en sinds kort secretaris-generaal van het ministerie van VROM, was op het moment dat het boek verscheen gemeentesecretaris van Amsterdam, dus de hoogste ambtenaar van de stad in de jaren waarin het kwaad ongebreideld om zich heen had gegrepen.

Opmerkelijk is dat ze krachtig de staf breekt over de passiviteit van de onder haar regerende hoofden van dienst, nu ze geen verantwoordelijkheid meer op het Amsterdamse stadhuis draagt, maar destijds in het openbaar haar mond hield.

Uit het feit dat ze in haar bespreking van Chaos aan de Amstel geen afstand neemt van de dooddoener dat Verlaans onthullingen al achterhaald waren door afdoende ingrepen en reorganisatie, kan worden afgeleid dat ze in 1999 zelf ook nog over oude koeien sprak. Kennelijk was ook zij er op dat moment van overtuigd dat een aantal strafvervolgingen en disciplinaire maatregelen de fraude en de corruptie hadden uitgeroeid en dat Amsterdam het lek wat dat betreft boven water had.

Vervolgonderzoek van Het Parool zal haar intussen van haar gerustheid hebben beroofd. De krant heeft nieuwe onthullingen gedaan over de voortwoekering van het kwaad die er ook niet om liegen. Voor de verandering gaat het nu niet over het gemak waarmee de incassoambtenaren ongehinderd door interne controle met de buit van publieke guldens er vandoor zijn gegaan. Deze keer gaat het om een zo te zien hardnekkige vorm van corruptie die zich ondanks de disciplinaire uitzwaveling elders bij de externe dienst van de stadsreiniging heeft weten te handhaven. Volgens Het Parool is bij een aantal ophaalploegen van de reiniging de Zuid-Europese ambtelijke gewoonte ingeslopen dat alleen nog tegen extra betaling extra diensten worden verleend: handje-contantje in de zak van de ophalers.

Wat de eigen rol bij de interne bestrijding van de corruptie ook moge zijn geweest, Sint doet in S&D zinnige saneringsaanbevelingen waarmee het gemeentebestuur van Amsterdam zijn voordeel kan doen. De zwakke plek van het openbaar bestuur waarop ze de vinger legt is de onderwaardering van de kwaliteit van de ambtelijke organisatie. Te lang, schrijft ze, is de selectie van topambtenaren gebaseerd geweest op de vraag wie de beste beleidsadviseur van de minister of de wethouder is en niet op de vraag wie het best in staat is de organisatie goed te laten werken. Pas als het zo fout loopt dat bestuurlijke posities in het geding raken, worden bestuurders wakker, maar zelfs dàn maken die zichzelf wijs dat ze met een ingreep aan de top kunnen volstaan.

Volgens Sint onderschat de overheid nog altijd de betekenis van een doelgerichte organisatie. Nog steeds gaat de aandacht voor beleid volgens haar ten koste van de aandacht voor de achterliggende bedrijfsprocessen. Zo verklaart ze ook de bestuurlijke veronachtzaming van de corruptie bij de Amsterdamse Parkeerdienst. ,,Parkeerbeheer is lang – ook door de financiële ambtenaren op het stadhuis – vooral gezien als een dienst die grote hoeveelheden geld in het laatje bracht en dus wel goed moest functioneren.'' Dat de opbrengst van de parkeermeters nog hoger had kunnen zijn als de administratieve controle had gedeugd, lag volgens Sint buiten het gezichtsveld van `het stadhuis'.

Of ze zelf eerder aan de bel had moeten trekken is in dit verband van geen belang. Haar pleidooi voor grotere investeringen in de administratieve opleiding en (corruptie-bestendige) zedelijke vorming van jonge ambtenaren snijdt hout en zou door het kabinet moeten worden gesteund. De overheid kan een voorbeeld nemen aan het bedrijfsleven waar het normaal is dat anderhalf tot twee procent van de loonsom wordt besteed aan training en opleiding. Ik zou zeggen: beter vandaag dan morgen. Niets belet de politiek met ingang van het nieuwe begrotingsjaar een hogere prioriteit te geven aan de kwaliteit van het personeelsbeleid bij de overheid – inderdaad met meer aandacht voor administratieve procedures en controles, zoals door Sint wordt bepleit, maar vooral met een voor alle ambtenaren verplichte cursus onkreukbaarheid.