Welvaart

Iets Duits in mij maakte dat ik naar Eisenach wilde, toen we vorige week een paar dagen over hadden. Eisenach, de stad van de Wartburg waar Luther een inktpot naar de duivel gooide, en waar in 1817 honderden jongelingen – Burschen – afspraken dat Duitsland eindelijk een tof land moest worden. Maar bovenal: Eisenach dat in mijn Duitse kinderjaren zo'n kolendamperige, onbereikbare klank had omdat het in de DDR lag, waar je niet kon komen. Zeker ik niet, want ik had er geen familie. Mijn klasgenoten gingen wel eens een tante of opa opzoeken, drüben, en vertelden na de vakantie hoe vies het daar rook.

Eisenach is wel een heel eind rijden voor een korte vakantie. Na een paar uur Autobahn begon ik toch weer te twijfelen: wilde ik echt zo ver dóórdenderen, zou er niet – sieh, das Gute liegt so nah – ook dichterbij veel moois te zien zijn? Korte vakanties vragen om snelle beslissingen, en zo stonden we even later in Korbach, een historisch Westduits stadje dat in de reisgids ,,aantrekkelijk'' heette.

Vreemd genoeg was het ineens zondagochtend geworden, terwijl het toch maandagmiddag had moeten zijn. Alles sufte in bleek zonlicht, er was parkeerruimte te over op het plein in het centrum – was dit echt het centrum? – en slechts hier en daar liep een Duitser in dure, onflatteuze zomerkledij over straat.

Het bijzonderste in Korbach waren de vele vakwerkhuizen die in de balk boven de voordeur een inscriptie hadden. Een vrome spreuk, in primitieve letters in het hout gekerfd en geaccentueerd met witte verf. ,,Laat alles over aan de Heer / dan zal het lukken elke keer'', luidde de tekst, of woorden van gelijke strekking. Ondanks die gelatenheid waren de huizen zo te zien allemaal pas geschilderd. Om de ramen heen zaten dikke plastic kozijnen. Onderhoudsvrije kozijnen, die het natuurlijk makkelijker maakten om de boel aan de Heer over te laten, maar die tevens beletten dat je ook maar één seconde kon genieten van de aanblik van een stokoud huis.

Welvaart is dodelijk voor het toeristische genoegen, dat werd in Korbach weer eens bewezen. Geen wonder (zo dacht ik bij mijzelf) dat mijn vrienden naar de Himalaya reizen om dorpen te zien waar de mensen niets bezitten, alleen wat potten en pannen, en toch zo tevreden zijn met hun autoloze bestaan. Armoede maakt blij, wij geloven dat vooral in de vakantie, en storen ons aan kunststof kozijnen, winkelcentra en andere uitwassen van de turbo-consumptiemaatschappij.

Een dag later waren we natuurlijk toch in Eisenach. In de voetsporen van Luther en Goethe beklommen wij de Wartberg om de gelijknamige Burg te bereiken. De wandeling is zo steil dat je er dagen spierpijn aan overhoudt. De burcht was mooi. Op de toren wapperde de zwart-rood-gele vlag trots naast een gouden kruis, hoog boven de Thüringse bossen. Een berg verderop, iets lager, torende het Burschenschaftsmonument. Alles bij elkaar genoeg om mijn Duitse verlangens weer voor jaren te bevredigen.

Eisenach zelf bleek een aardig stadje te zijn, met grote contrasten tussen de huizen en monumenten die wel waren opgepoetst en andere die zo te zien geheel aan verval ten prooi waren. Rommelige, met keien geplaveide straten leidden naar ons hotel aan de voet van de berg. Vlakbij lag een grazig kerkhof waar de tekst op geen enkele grafsteen meer te lezen was; het was net zó onderhouden dat je niet kon zeggen dat het slecht onderhouden was.

Het moderne café op het marktplein bleek het rijkste assortiment aan ijssmaken te bezitten dat ik ooit heb gezien. Ik koos twee bolletjes: maanzaad-met-rozijnen en kefir-met-vlierbessen, en kreeg geen spijt. Likkend liep ik over de woensdagmarkt, langs een man met een kistje waarop drie bossen uien waren uitgestald, een paar augurken en wat sla. Armoe, maar ook wel gezellig.

Thuis lazen we in de krant dat bondskanselier Schröder die week ook in de voormalige DDR had rondgereisd. Om de Ossis moed in te spreken, had hij gezegd dat het heus goed zou komen met de economie: de fles was niet nog half leeg, maar al half vol. Ik hoop nu in stilte dat hij niet al te snel vol zal raken.