Variété

Mijn eerste kennismaking met de wereld van het amusement dateert, als ik mij goed herinner, van mijn vierde jaar. Ik zat op de tapkast van een variététheater, terwijl een paar vrouwen tussen de opeengestapelde tafeltjes en stoelen de vloer van de zaal aandweilden, waar mijn ouders zingend op een schaars verlicht toneel, met een onzichtbare pianist in de orkestbak, hun nummer repeteerden. Likkend aan een stuk druivesuiker, waarvan ik de weezoete smaak nog kan proeven, zag ik hen elk met een wandelstokje onder de arm achter elkaar uit een verkleurd bosdecor komen en in geanimeerd tempo op het tegenoverliggende bosdecor afstevenen.

Het gebeurde ook wel dat ik 's avonds in tram of trein werd meegenomen als ze ergens anders in of buiten Rotterdam moesten optreden – `werken' noemde mijn vader het – en er geen familielid beschikbaar was om op mij te passen. Omdat ik niet tot hun kleedkamer werd toegelaten, ben ik in talloze etablissementen van vermaak, in het gezelschap van de nooit ontbrekende brandweerman en de zwijgende toneelknecht, tussen de coulissen op een stoel gezet, zonder deze te mogen verlaten of enig blijk van mijn aanwezigheid te mogen geven. Dientengevolge heb ik behalve mijn ouders – mijn moeder bracht ook alleen als soubrette in zilverlamé met veel succes Sammy en Bonsoir madame de la lune ten gehore – ook een stoet van acrobaten, goochelaars, dansers, zangers, sneltekenaars, jongleurs en buiksprekers langs mij heen zien gaan.

Wel was ik altijd een beetje beducht voor hun geschminkte gezichten, waardoor ze een ander soort mensen schenen, die als bij toverslag een opmerkelijke metamorfose ondergingen zodra het doek viel en het applaus verstomde, en ze bezweet het toneel verlieten om weer hun eigen uitdrukkingloze gezicht te krijgen. Van hun namen heb ik vooral die van Ina Smit onthouden, voor wie ik een diepe bewondering koesterde omdat ze net een prinses was. Gefascineerd heb ik haar vanuit mijn duistere hoek gadegeslagen wanneer zij helemaal glinsterend, met pailletten op haar gewaad en een diadeem in haar haar, in een aureool van wisselende kleureffecten Plaisir d'amour zong, en een droevig lied over een eenzame zeeman die 's nachts aan het roer van zijn scheepje afwezig naar de einder staarde met alle noodlottige gevolgen van dien, daar hij niet aan de verraderlijke klippen maar – als zij zover was gekomen spreidde ze in een denkbeeldige omhelzing haar witgepoederde armen uit – aan `vrouwlief' dacht.

Aangezien mijn vader met verscheidene van deze artiesten bevriend was, bezochten wij op onze wekelijkse wandeling door de stad soms diegenen die in Rotterdam woonden en ontdekte ik dat zij ongeschminkt en buiten het licht van de schijnwerpers heel gewone mensen waren, die gewone kleren droegen en in gewone, zo niet schamele huizen woonden. Zoals Bartley, de acrobaat, in zijn kelder aan de Botersloot, waar door de getraliede raampjes amper de voeten van de voorbijgangers zichtbaar waren, of het danspaar Louis en Louisette, dat slechts over één kamer beschikte in een artiestenpension aan het eind van de Schiestraat, met een tafel, twee stoelen en een bed.

De intrigerendste figuur onder hen vond ik Elie Frankly, die een in onbruik geraakte winkel aan de Delftsevaart bewoonde, met een gordijn voor de vroegere etalage, en wiens tengere gestalte ik moeilijk in verband kon brengen met zijn sensationele nummer La belle et la bête.

Hij veroorzaakte telkens grote consternatie onder het publiek, wanneer hij in de gedaante van een reusachtige aap vanachter uit de zaal naar het toneel stormde, waar zijn bijzonder mooie Schotse vrouw hem in het Engels toezong.

Toen ik naar school ging, begon mijn moeder langzamerhand te mollig te worden om met een wandelstokje in gezwinde pas voor het voetlicht te verschijnen en in zilverlamé over de maan te zingen, zodat zij 's avonds mokkend thuisbleef als mijn vader met een ander nummer – hij zong en speelde citer en zijn nieuwe compagnon, die de liedjes schreef, gitaar – zijn brood ging verdienen. Het bedierf de stemming in huis, wat ik haar toen kwalijk nam, hoewel ik later een geduldige en geïnteresseerde toehoorster van haar herinneringen aan haar toneeljaren ben geworden.

Deze speelden zich grotendeels voor mijn geboorte af, toen zij en mijn vader als pas beginnend duo hun eerste engagementen in kleine variétélokalen kregen, zoals Salon de Variétés in de Bagijnenstraat en Palatinat in de Hoogstraat. Daarna kwamen de grotere theaters: Mille Colonnes en Palladium in Amsterdam, en in Rotterdam het Circusgebouw op het Stationsplein en Casino aan de Coolsingel, waar ze zingend op een met bloemenslingers versierde schommel over de bühne hadden gezweefd.

Behalve het nummer met de citer en de gitaar begon mijn vader avondvullende programma's voor feesten en jubilerende verenigingen te verzorgen, met revues waarvoor zijn compagnon de teksten en de muziek schreef en die tevens in verkorte vorm tussen de films in bioscopen werden opgevoerd. Hiervoor werd Betsie van den Ende geëngageerd, die een leuke stem en iets sprankelends had, terwijl er tussen de scènes door een aantal girls optrad, met wie ik, in plaats van mijn gedroomde balletopleiding, nog enige tijd met hoog opzwaaiende benen heb meegedanst.

Betsie bleef niet langer dan een paar jaar bij ons, aangezien zij van haar man en kinderen wegging voor onze pianist, die eveneens zijn gezin verliet maar er op zekere dag bij terugkeerde, waarna het slecht met haar is afgelopen. Zij werd opgevolgd door Tine Nijman, die niet zo sprankelde en een werkloze verloofde had. Wel beschikte zij over een mooie, heldere stem, waarmee zij bij voorkeur in de Duitse taal niet alleen het klassieke maar ook het luchtige genre beheerste en onder andere Leise fliehen meine Lieder en eigentijdse filmschlagers zoals Ein Tag ohne dich ist ein Tag ohne Glück vertolkte, ofschoon dit laatste met aanmerkelijk minder overtuiging werd gebracht.

Ongeveer tegelijk met haar maakten De Pico's (Piet en Cootje van Amen) als jonge accordeonspelers van vijftien en achttien jaar hun debuut bij ons gezelschap. Als laatste veteranen van het variété zijn ze nog niet zo lang geleden kort na elkaar gestorven, en als ik in Rotterdam Cootje's familie opzoek, zit ik oog in oog met haar portret, waarvoor altijd een waxinelichtje brandt.