Universiteit moet academie durven zijn

Vandaag is academisch jaar geopend. Ter gelegenheid daarvan bepleit Arjo Klamer in een `rede' voor deze krant afschaffing van de praktijkgerichte opleidingen. Universiteiten moeten de kloosters van deze tijd zijn.

Geachte Colleges van bestuur, hooggeleerde collega's, waarde studenten en voorts waarde aanwezigen die de wetenschap een warm hart toedragen.

Links en rechts horen en zien we dat de wereld verandert. Ze globaliseert en digitaliseert en wij worden verwacht ons aan te passen. Het sleutelwoord daarbij is kennis. En van de universiteiten wordt verwacht dat ze die kennis leveren.

Dat lijkt mooi. Het lijkt mooi dat de politici ons op de universiteit de opdracht geven hoogopgeleide mensen voor de arbeidsmarkt af te leveren, en dat het bedrijfsleven steeds nadrukkelijker naar ons kijkt voor inzichten die ze te gelde kan maken. Want met die verwachtingen lijkt ons bestaansrecht gegarandeerd en kunnen we op een toenemende stroom middelen rekenen. Alleen kloppen die verwachtingen niet en willen en mogen we daaraan niet tegemoetkomen, althans niet op de gevraagde wijze. Want de missie van de universiteit kan en mag niet het dienen van een direct economisch nut zijn.

Op de universiteit gaat het in de eerste plaats om het onderzoek naar en bezinning op de raadsels van de mens en natuur. Op de universiteit moeten wiskundigen zich kunnen verliezen in schijnbaar onoplosbare puzzels, mogen historici opgaan in het verleden en krijgen sterrenkundigen de middelen om naar het heelal te turen en dat alles zonder enig direct aanwijsbaar praktisch nut. Daarmee is de universiteit een luxe, maar het is een luxe waar een ontwikkelde samenleving niet zonder kan.

Een waarschuwing is de ervaring van de Fransen die in 1793 hun klassieke universiteiten afschaften ten gunste van hoge scholen (`grandes écoles') die op de praktijk afgestemd waren. De Duitsers ontwikkelden daarentegen de klassieke universiteiten met hun brede klassieke studies en filosofische oriëntatie. Toen de Duitsers bleven uitblinken in vindingrijkheid en wetenschappelijk onderzoek, haastten de Fransen zich de universiteit in ere te herstellen. Willen wij in Nederland de fouten van de Fransen herhalen of hebben we de moed om ons in te zetten voor de luxe van echte universiteiten en academies?

De boekhoudkundige en bedrijfskundige aanpak die de Nederlandse universiteiten momenteel bepaalt is een teken aan de wand. Het praktisch nut staat voorop. Studies noemen we `opleidingen' om duidelijk te maken dat het universitair onderwijs in dienst staat van de arbeidsmarkt, en dus de werkgevers. De moderne Nederlandse universiteit is een waar bedrijf aan het worden – gezien het massale karakter ervan zou `onderwijsfabriek' een betere benaming zijn. Het bestuur is sinds de laatste `modernisering' in handen van managers die docenten inhuren om diensten (colleges) aan de klanten (de studenten) te leveren. Door faculteiten af te rekenen op behaalde resultaten, wordt onderlinge concurrentie aangemoedigd en een infantilisering van het onderwijs gestimuleerd. `Post-initieel' onderwijs (voor betalende studenten) komt sterk op want daarmee kan geld verdiend worden. Contractonderzoek dat vrijwel nooit de wetenschap verrijkt wordt om dezelfde reden aangemoedigd.

Wellicht overdrijf ik met deze karakterisering. Natuurlijk wordt ook aan Nederlandse universiteiten fundamenteel onderzoek ondersteund en gestimuleerd. Nederlandse onderzoekers publiceren flink. En tal van Nederlandse wetenschappers zijn in serieuze discussies met elkaar en hun studenten verwikkeld zonder te denken aan een direct praktisch nut. Bestuurders doen hun best het academische karakter van hun universiteiten te beschermen. Maar de heersende ideologie maakt die taak bijna onmogelijk. Universiteiten gaan steeds meer op hoge scholen lijken. Geen wonder dat er stemmen opgaan het hoger en wetenschappelijk onderwijs samen te brengen.

Het academisch reveil waartoe een aantal hoogleraren onlangs in een manifest opriep, zou moeten leiden tot eerherstel van de oorspronkelijke missie van de universiteit. Tot voorbeeld kan onder meer de Griekse samenleving van de vierde eeuw voor onze jaartelling dienen. De term Academie stamt uit die tijd en verwijst naar de tuin waarin het beroemde gymnasium van Plato huisde. Het onderricht van Plato, zijn leermeester Socrates, en andere leermeesters als Isocrates enAristoteles was vooral gericht op de ontwikkeling van kritisch denken. Muziek speelde een grote rol maar het ging ook om lichamelijke oefening en de bestudering van belangrijke teksten.

De zin van algemene vorming laat zich moeilijk meten en vastleggen, maar het klassieke Griekenland laat zien hoe wezenlijk instellingen zijn die zich daaraan wijden. Dat begrepen de Engelsen een paar eeuwen geleden toen ze investeerden in de brede universiteiten van Cambridge en Oxford, en dat begrijpen de alleszins praktische Amerikaanse industriëlen die grote sommen geld doneren aan hun universiteiten en `liberal arts colleges'. Vooral de colleges zijn opgezet met als uitdrukkelijke doel de ontwikkeling van algemene kennis, persoonlijke ontplooiing, en het bijbrengen van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef.

Studenten verdiepen zich in tal van onderwerpen, variërend van natuurkunde tot filosofie, met kunst en cultuur als vaste onderdelen. Boekhouding, rechten en andere praktische vakken zijn taboe. Beroepsopleidingen zijn dat ook. Een `liberal arts college' leidt niet op, maar wil een instelling zijn waar je leert te studeren, kritisch en systematisch na te denken en gedachten uit te drukken in woord en op papier. Studenten verdienen daarmee een `bachelors'-graad en gaan vervolgens door voor een `masters' waarmee ze dan wel opgeleid worden voor beroepen als advocaat, manager of dokter, dan wel zich verder verdiepen in een specifieke wetenschap.

Het succes van de Amerikaanse aanpak is onmiskenbaar. Nergens floreert de wetenschap als in de Verenigde Staten en nergens is het praktisch vernuft zo groot als daar. De Europese ministers van Onderwijs hebben dit inmiddels ook begrepen en in de Verklaring van Bologna hebben ze op de voor de Europese Unie zo kenmerkende ondemocratische wijze bepaald dat de Europese universiteiten op Amerikaanse leest geschoeid dienen te worden. Het gevolg is dat de Nederlandse universiteiten momenteel druk doende zijn het BA/MA-systeem in te voeren, met een driejarige bachelors (BA) en een één of tweejarige masters (MA).

Het lijkt alsof de weg naar een brede studie open ligt en het einde van de praktijkgerichte opleidingen getekend is. Vergeet het maar. Gegeven de huidige bedrijfsmatige mentaliteit dreigt deze ingreep op een regelrechte ramp uit te lopen. Iedere faculteit, iedere groep zal vechten voor haar bestaansrecht, een eigen bachelors formuleren alsook een rits aantrekkelijke masters-opleidingen. Het doel zal zijn zoveel mogelijk studenten weg te lokken bij de concurrenten. Het doel van de Amerikaanse colleges, te weten de ontwikkeling van algemene kennis, persoonlijke ontplooiing en maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef zal ijdel blijken.

Deze tijd vraagt om een ambitieuzere aanpak. In een wereld waarin we voortdurend achter de feiten aan hollen en de tijd ontbreekt voor serieuze reflectie op de echt belangrijke vragen over het leven en de natuur, zijn echte universiteiten hoognoodzakelijke instellingen waar mensen zich kunnen terugtrekken om te studeren. De universiteiten moeten academies durven te zijn, zoals de academie van Plato waarin de ontwikkeling van algemene kennis en wetenschap centraal staat. Noem ze de kloosters van deze tijd. Wellicht voldoen de huidige instellingen niet en hebben we nieuwe academies nodig naar klassiek model bestemd voor jong en oud. Want ook mensen die midden in het actieve leven staan, hebben een plek nodig waar ze de teksten van onze beschaving kunnen bestuderen, zich kunnen verdiepen in andere werelden en met geestverwanten kunnen spreken over die echt belangrijke vragen.

Is dit te idealistisch? Misschien wel gezien de huidige economische mentaliteit. Gelukkig zien steeds meer mensen binnen de universiteit en de overheid en vooral ook in het bedrijfsleven dat een kennisintensieve samenleving om echte academies vraagt. Nederland is er rijp voor.

Arjo Klamer is hoogleraar in de culturele economie aan de Erasmus universiteit en mede-ondertekenaar van het manifest voor een academisch reveil.