Een blik in de montagehal van de operafabriek

Capriccio, Richard Strauss' opera over de problemen met opera, werd zaterdagavond in het Amsterdamse Muziektheater, bij de seizoensopening van de Nederlandse Opera, op het operapodium voorafgegaan door een toespraakje van operadirecteur Truze Lodder over de problemen met opera. De Raad voor Cultuur heeft staatssecretaris Van der Ploeg voorgesteld over te gaan tot opheffing van het Nederlands Kamerorkest, dat niet alleen bij deze productie van Capriccio in de bak zit, maar ook bij dertien al afgesproken operaproducties.

Zonder het Nederlands Kamerorkest, een integraal onderdeel van het Nederlands Philharmonisch Orkest dat de meeste andere operavoorstellingen begeleidt, is er geen goed functionerende Nederlandse Opera mogelijk, aldus Truze Lodder. De operadirecteur kan zich dus niet anders voorstellen dan dat het advies over drie weken op Prinsjesdag niet zal worden opgevolgd door Van der Ploeg. Capriccio gaat onder andere over de strijd tussen woorden en muziek in de opera en Lodder sloot daarop aan: ,,Moge de muziek het winnen van de adviserende woorden van de Raad voor Cultuur, die lijken voortgekomen uit onwetendheid.''

De actualiteit van opera over opera – tal van tekstschrijvers en componisten namen het functioneren van het muziektheater tot onderwerp – bleek ook al bij de voorbereidingen van deze nieuwe productie van Capriccio, in Amsterdam de eerste sinds vijfentwintig jaar. Sopraan Charlotte Margiono zegde haar prestigieuze rol van de gravin af. Ze houdt niet van deze Straussmuziek, zelfs niet van Der Rosenkavalier, en ze vindt het libretto tamelijk `onbenullig', zoals ze zei in een interview met De Groene Amsterdammer: ,,Het gaat eigenlijk alleen maar over die gravin die twee mannen om zich heen heeft draaien, een schrijver en een muzikant. Precies zoals de titel zegt: een capricieuze vrouw die geen beslissing kan nemen. Daar gaat het dan de hele avond over.''

Natuurlijk gaat het in Capriccio, een `Konversationsstück für Musik' meer dan twee uur lang over meer: niet alleen over het onderling functioneren van tekst en muziek en over het belang van librettist en componist, maar ook over de rol van de theaterdirecteur. Hij is de organisator, engageert zangers en musici, zorgt voor een zaal en publiek, en is verantwoordelijk voor het uiterlijk van de productie, de enscenering en de regie. Het gaat in opera om de voorstelling als geheel, zoals Wagner zei het Gesamkunstwerk. Daarin waarin zijn tekst, muziek en uitbeelding samen meer dan de som der delen en kan de enscenering een extra dimensie of zelfs een geheel nieuwe betekenis aan het drama geven.

Zover gaat de productie van regisseur Andreas Homoki van Capriccio niet helemaal, maar de voorstelling mag er ruimschoots zijn. Begin en slot zijn hoogst conceptueel in een vast decor met een kubus van woorden voor een achtergrond van muzieknoten. Het is de montagehal van de opera-fabriek. Alles is zwart-wit, lijkt het, maar wanneer men er een hele avond naar kijkt, blijken het toch grijstonen te zijn. Zo ligt, volgens Homoki, in de strijd tussen tekst en muziek de waarheid in het midden. Richard Strauss en zijn librettist Clemens Krauss konden al helemaal geen standpunt innemen.

Juist als men denkt dat het wel erg saai blijft en de meningsverschillen over geloofwaardig realisme en kunstige verbeelding thuishoren op een symposium, komt daar, net zoals in een goed sonnet, de volte, de wending. De discussianten (gravin, graaf, tekstdichter, componist, theaterdirecteur en toneelspeelster) verruilen hun zwart-witte en grijze dagelijkse 20ste eeuwse kledij voor crèmewitte ouderwetse kostuums. Ineens is daar tijdens de voorstelling een voorstelling en heerst op het podium de magie van het theater in zijn rijkste vorm, de opera.

Hoogtepunt is de scène waarin de Italiaanse zangeres en de Italiaanse zanger de weerzinwekkend clichématige opera presenteren als snoeperig suikergoed. Slechte opera, uitsluitend uit op effectbejag, bekoort als een taart: heerlijk voor even, maar bij overmatige consumptie ook zum kotzen, zodat iedereen snel weer een ander wil opzadelen met dat teveel aan quasi-lekkers.

Capriccio, zowel de opera van Strauss en Krauss als de voorstelling van Homoki, is geen werk om opgewonden over te raken, maar veroorzaakt met die vaak luchtige, spitse en provocerende teksten over opera wel een milde, licht geamuseerde en languissante stemming in de zaal. Het geoefende operapubliek zal de eigen ervaringen met onverstaanbaarheid van teksten, eindeloze recitatieven en te hard spelende orkesten in veel van de gewisselde argumenten herkennen. Alleen de souffleur, die vaak in slaap dommelt, maar meent toch de motor van het hele operabedrijf te zijn, is in ieder geval in het Nederlandse operapraktijk verdwenen. Hier dient men serieus en lang te repeteren en zijn partij te kennen.

Al loopt de muziek van Capriccio (1942) soms vooruit op de melancholieke sfeer van Strauss' Vier letzte Lieder (1948), veel herinnert aan Der Rosenkavalier (1910): de soms burleske scènes, het optreden van de Italiaanse zanger, de theaterdirecteur La Roche als variant op baron Ochs terwijl de gravin lijkt op de smachtende, maar ook onthechte Marschallin. Er zit wel consistentie in de afkeuren van Margiono, die we hier graag hadden gehoord en nu wordt vervangen door twee zangeressen: Angela Denoke en Gabriele Fontana, die drie van de latere voorstellingen zingt. Denoke zingt de gravin op lovenswaardige wijze, maar soms ook op de grens van haar kunnen. Ze overtuigt tijdens haar lange slotscène meer in de licht-smartelijke dramatiek dan in de typisch Straussiaanse hoge en vrij in de lucht zwevende cantilenen. Het probleem bij Strauss is altijd dat men zich ook de mooiste uitvoering nòg mooier kan voorstellen.

De vocale wedstrijd tussen tekstdichter (Daniel Henschel) en componist (David Kuebler) wordt ruimschoots gewonnen door de tekstdichter. Deze componist lijkt in zijn soms onbeheerste opwinding al te zeer in de ban van de sopraan en Kuebler maakt duidelijk waarom Strauss in Der Rosenkavalier de tenorrol van Octavian vergaf aan een romig vloeibare mezzo in travestie. Graciela Araya is een heerlijke Clairon, voor de graaf, tevens amateur-acteur (een goede Olaf Bär) de zo begeerlijke vakvrouw onder de 18de eeuwse actrices.

Zoals hoort in zo'n voorstelling zijn er de legendarische zangers met het eind van hun carrière in zicht in hun karakterrollen. Hans Sotin, deze zomer als Gurnemanz uit de Bayreuther Parsifal opgestapt, was bij de première nog niet geheel genezen van een stembandinfectie die hem vorige week trof, maar verder gaat de rol hem voortreffelijk af. Dan zijn er nog Waldemar Kment als de souffleur Monsieur Taupe en Franz Mazura als de Haushofmeister. De leukste rol is voor de hilarisch dubbel bepruikte Donald Kaasch als de archetypische precieuze overjarige Italiaanse tenor.

Hartmut Haenchen leidt het Nederlands Kamerorkest dat in de bak en op het podium een aantal kamermuziekensembles levert, onder andere voor het sextet waarmee Capriccio begint. De musici bewijzen te moeten blijven.

Voor alle voorstellingen zijn nog kaarten beschikbaar.