Aversie

Ieder opkomend gevoel van aversie tegen een medemens gaat bij mij vaak gepaard met een intense vorm van schuldbesef. Het mea culpa-syndroom van de ex-misdienaar. Maar moet je iemand per se lief hebben alleen omdat hij of zij, net als jezelf, een sterfelijk samenraapsel van plasma en menselijke genen en chromosomen blijkt te zijn? En waarom zou ik niet onchristelijk mogen kokhalzen bij het horen van namen als Slobodan Milosevic of Ronald de Boer? Toegegeven, er zijn weinig overeenstemmingen tussen beiden. Ronald de Boer is geen bloeddorstige etnisch zuiveraar en Milosevic is waarschijnlijk nog nooit van zijn leven bezitter van een ABN Amro-creditcard geweest. Blijft in beide gevallen hetzelfde gevoel van misselijkheid over.

Wat hebben toch die onschuldige ballentrappers, Ronald en Frank, mij aangedaan? Niets natuurlijk. Is het dan een zuiver fysieke afkeer voor die te korte armpjes die beter bij rechtopgaande watervogels uit het zuidelijk halfrond zouden passen of dat buitengewone brede en hoge voorhoofd dat in het gezicht gaapt als een lege strandboulevard op een winderige herfstdag? Heb ik, geharde randstedelijke bewoner en stadsmens, iets tegen eenvoudige Boertjes uit Grootebroek die met het timbre van een rooimachine wauwelen? Of schaar ik me uit gemakzucht achter een meerderheid Nederlanders die, ten tijde van hun moeizaam vertrek bij Ajax, de gebroeders als de meest irritante tweeling uit de vaderlandse geschiedenis bestempelden? Kortom, mijn aversie tegen het koppel is voor mijn zelfbeeld nooit echt verheffend geweest. En bovendien is afkeer die te zeer op irrationele al dan niet discriminatoire kenmerken leunt een ideale voedingsbodem voor schuldgevoelens.

Maar sinds donderdag heb ik het antwoord gevonden. Alsof ik het ectoplasma van mijn walging eindelijk een naam en een gezicht kon geven. Afgelopen donderdag zag ik dus Ronald de Boer, kort pinguïnarmpje in de lucht met een half opgestoken duim, zijn transfer naar Glasgow Rangers uitbundig vieren. Een laffe daad.

Twee jaar geleden stampvoetten de gebroeders maandenlang over ons scherm omdat ze Ajax niet mochten inruilen voor Barcelona. Nou Camp was in die tijd door half Amsterdam gekraakt en het avontuur met twintig veiligheidsgordels om leek de twee verwende jochies wel wat. Even risicoloos als een zomervakantie op een Nederlandse camping in de Ardèche. In Barcelona kon je met je ingevroren frikandellen terecht, 's avonds werd er gesjoelbakt en op de tafels van de bodegas kon je onachtzaam met je creditcard smijten voor een huiselijk partijtje Going Dutch.

Maar met het vertrek van Louis van Gaal volgde een snelle ontmanteling van het Iberische Little Holland.Geen Sinterklaasgedichten meer en verjaardagkringetjes maar een versnelde cursus Spaans om uiteindelijk te leren hoe je `bankzitten' met Catalaans accent moet uitspreken. Paniek. Daar had Ronald natuurlijk niet voor getekend. Ronald is een geboren rentenier met geërfde Ahold-aandelen. Waarom zich bewijzen, waarom zich via de bank terugvechten naar het prestigieuze Barça terwijl intussen een nieuwe Nederlandse camping in de Highlands is geopend? Bij Glasgow Rangers is niet alleen de trainer, Advocaat, en de helft van de selectie uit polderklei getrokken, maar ook de clubarts, de assistent-trainer en straks zullen ongetwijfeld ook de terreinknechten en de stewards uit Brabant en Zeeland per charters worden overgevlogen.

En hiermee is mijn aversie verklaard. Mijn hele leven van geëxpatrieerde word ik door typetjes als Ronald de Boer geplaagd. Van het soort dat naar het buitenland verkast om vooral met het eigen soort te klonteren. Franse bloedzuigers, avonturiers op Charentaises-pantoffels die nog maar net op Schiphol geland hun landgenoten al mobiel beginnen af te werken, op zoek naar wat ze zojuist hebben verlaten en wat tricolore kruiwagens. En nu dat ik er aan denk: ze hebben meestal allemaal te korte armpjes en voorhoofden als lege strandboulevards.

Vanaf vandaag schrijft Sylvain Ephimenco elke maandag een column op deze plaats.