ZONDER GEBED RED JE HET HIER NIET

Wat gebeurt er als de poort van een trappistenklooster achter je dicht valt? 'De eerste die je in het klooster tegenkomt, ben je zelf', zegt abt Marc van de Achelse Kluis. Discipline, regelmaat, bidden, zingen en de klok luiden. Om God te ontmoeten. Maar wat is dat dan?

Het gebeurt niet vaak dat men in de gelegenheid is om met één enkele stap in een andere wereld terecht te komen. In Berlijn kon dat, toen west en oost er nog zo streng gescheiden waren. Maar een eindje onder Valkenswaard kan het ook, en in elk beetje streng trappistenklooster kan het: je loopt een lange oprijlaan af, gaat de poort door, en de gebruikelijke wereld is ver weg.

Hier heersen stilte en orde, je mag er niet komen, tenzij je hebt afgesproken een of meer dagen te komen logeren in het gastenhuis, en degenen die er wonen hebben hoegenaamd niets met jou en de buitenwereld te maken. Dat is een vreemde ervaring, lichtelijk afschrikwekkend, maar ook aantrekkelijk, want veel alledaags gedoe blijft ook achter die poort.

Het eerste dat men zich afvraagt als de deur dicht valt is: en wat als die poort nu voorgoed dicht was? Hoe zou ik dan verder leven? Hoe zou ik ooit hebben durven beslissen dat ik hier niet meer weg wilde?

Broeder Jo (69), de portier, vertelt hoe dat bij hem zo is gekomen. 'Ik kwam hier voor het eerst met een vriend mee, in 1967', zegt hij. 'Geleidelijk ben ik hier meer alleen heen gegaan. Dat was beter dan met die vriend, die kon nooit zwijgen. Ik kwam steeds vaker. Op een keer loop ik hier van de poort naar de kerk en ik zie dat torentje en ik denk: als ge hier dan toch zo graag zijt, dan kunt ge net zo goed intreden.' En dat deed hij, 64 jaar oud. Vrouw en kinderen had hij niet, ook nooit gehad: 'Ik ben wel gezond en normaal, ik ben dikwijls verliefd geweest, maar 't leek toch of het in de sterren geschreven stond dat ik het klooster in moest gaan.'

En hij vindt het geen vergissing van zichzelf of van de sterren. 'Het is me goed bevallen. Allez, 't is niet alle dagen kermis. Dat zevenmaal per dag zingen, dat heeft me wel naar hier getrokken.'

Warm en vleesloos

Broeder Jo is een van de twee portiers van de Achelse Kluis, officieel de Sint Benedictus Abdij in Achel (België), een trappistenklooster op de grens van Nederland en België. De grens loopt door de refter. Bij de maaltijd zit de abt in Nederland, de monniken in België.

Wie uit Nederland komt, ziet bossen, boomgaarden, velden, een muur en daarbinnen het kloostercomplex dat uit diverse gebouwen bestaat. Er is een kerk, ontworpen door P.J. Cuypers, de architect van het Centraal Station en het Rijksmuseum in Amsterdam.

Verder is er het gastenverblijf, een oud gebouw met houten gangen en trappen, beige deuren van triplex, kokosmatten, linoleum. Vrij lelijk. En er is het prachtige kloosterslot, met zijn kruisbogen en zijn lange stille gangen met boogramen van glas in lood.

Er overheerst, zoals het in een cisterciënzerklooster past, een indruk van eenvoud en soberheid. De monniken zijn trots op het gebouw. Iedereen die ik spreek, prijst het. Al heeft broeder Johan, met zijn 36 jaar de jongste van de 23 hier levende monniken, kritiek op de refter, een enorme bakstenen ruimte bijna zo groot als de kerk, met lange tafels en een soort preekstoel voor degene die tijdens de maaltijden voorleest. Er wordt niet onderling gepraat.

'Die refter is veel te groot', zegt Johan, 'die heeft geen intimiteit.'

De gasteneetzaal is intiemer, maar ook veel jeugdherbergachtiger. Op de formicatafels liggen houten blokjes waarop de tekst Maaltijd in stilte is geplakt.

We eten net als de broeders 's middags warm, en vleesloos. Je hoort uitsluitend het tikken van bestek en gefluisterde vragen om iets aan te geven. Eigenlijk is die stilte wel prettig. Hoef je niet meteen weer sociaal te doen.

Je offert je leven op

Een klooster is een stille wereld. Zelfs al mogen de monniken nu, anders dan vroeger, wel praten, je hoort er zelden iemands stem, behalve tijdens de kerkdiensten. Dan zingen die stemmen, en eentje leest er wat voor. Abt Marc zegt dat het gaat om het luisteren. Het gaat niet om het individu met zijn meningen en oordelen. Niet oordelen, dat is belangrijk. Verinnerlijking. Dat kan makkelijk gepaard gaan met eenzaamheid.

De meesten die in het klooster komen kijken hoe dat leven ze bevalt, geven het na een poosje weer op. Ook broeder Johan, die al vier jaar in het klooster leeft en zijn noviciaat achter de rug heeft, aarzelt nog. Zijn kleine of tijdelijke geloften heeft hij nog even uitgesteld.

Hij vindt het moeilijk om te denken dat het monnikenbestaan de rest van zijn leven zal uitmaken. 'Je offert je leven op en ik weet nog niet of dat zinvol is voor mezelf en tegenover andere mensen.'

Broeder Johan kwam in de Kluis, nadat hij zijn klussenbedrijf had moeten opdoeken. Hij zag er tegenop opnieuw te beginnen. Bovendien, vertelt hij, begon het steeds meer te wringen tussen wat hij geloofde en wat de maatschappij van hem vroeg. Hij ging geregeld naar de diensten en na een verblijf in het gastenhuis besloot hij het te proberen. 'Ik dacht niet: "wauw, dit is het", dat denk ik eigenlijk nog niet, maar dit lijkt me de betere keus. Je probeert een leven te leiden waarvan je zou kunnen zeggen, of waarvan God zou kunnen zeggen: "Dit is iets". Het gaat om wat God van je wil.' Hij aarzelt even. 'Dan komt natuurlijk de cruciale vraag: hoe kun je dat weten? Een stem in je hart, zegt men, maar er zijn zoveel stemmen in je hart.'

Broeder Johan heeft een website opgezet

Ondanks zijn aarzelingen heeft broeder Johan het in het klooster naar zijn zin. 'Je staat in een regel en dan heb je eigenlijk niet zoveel nodig.' Die 'regel' is de kloosterregel, gebaseerd op de zesde-eeuwse regel van Sint Benedictus, aangepast aan de moderne tijd. De regel voorziet in bijna alles: wanneer te bidden, wanneer te eten, hoe zich te gedragen, hoe zich te kleden.

Broeder Johan heeft een website opgezet (www.achelsekluis.nl) en hij beheert de 'galerie' en boekwinkel waar heiligenbeelden, iconen, cd's en boeken verkocht worden. Hij doet dat graag. Maar het belangrijkste is dat niet. 'Het gaat om je geloof', zegt hij. 'Je moet aanvaarden, vertrouwen. Ik geloofde het vroeger ook niet, maar als je het wilt aanvaarden, dan blijkt het zo te zijn: dat er een God is, dat Jezus je bijstaat, dat je geleid wordt in je leven. Zonder gebed hou je het hier niet uit, al zing je nog zo mooi de psalmen.' Dat laatste doet hij trouwens. Samen met broeder Joris en broeder Titus is hij voorzanger bij de diensten. Je ziet hem dan vol overgave zingen, hij lijkt een en al vrede en harmonie. 'Heer des morgens hoort Gij mijn stem, des morgens breng ik het voor U.' Je ziet dan niet dat hij 'soms wel wat spanning heeft', zoals hij zelf zegt.

Zou die spanning oplossen door wat hij zingt of doordat hij zingt? Alle twee waarschijnlijk. Het is een geluk, of misschien zou je moeten zeggen: een wijsheid, dat het in een klooster steeds duidelijk is wat iemand te doen staat. Je hoeft dat niet zelf te verzinnen en daardoor zijn hoofd en hart vrij voor andere dingen. Zo is het kloosterleven zowel benauwend, want je bent niet vrij om te doen wat je wilt, als bevrijdend, want je hoeft niet steeds te verzinnen wat te doen, je zit niet aan de touwtjes van je eigen luimen. De regel, met zijn duidelijke dagindeling, geeft ruimte. Dat merk je zelfs al als je, zoals ik, maar een paar dagen in het klooster bent.

In de jaren zestig van deze eeuw veranderden de kloostergewoonten rigoureus: de monniken hoefden niet meer gekleed te slapen, ze kregen meer te eten, de gebaren die dienden om het stilzwijgen te kunnen bewaren werden afgeschaft, de officies niet langer in het Latijn gehouden.

Vroeger verrekte je van de honger

Veel Achelse monniken hebben de strenge tijd nog meegemaakt. Niet zo streng meer als in de 19de eeuw, maar toch. 'Vroeger verrekte je van de honger', laat de door een beroerte getroffen broeder Simeon (82) zich ontvallen. 'Had ik nog vroeger geleefd, dan was ik nu dood.'

Broeder Joris (71) zegt: 'We moesten altijd in de rij lopen naar de maaltijd en naar het werk, onder toezicht - als je nu bedenkt dat we dat allemaal maar déden.' En Dom Emmanuel (85), de vroegere abt, onder wiens regime de veranderingen zijn doorgevoerd, zegt: 'Er moest echt meer menselijkheid komen. Men meende toch dat men heel wat was als men maar streng was.'

Misschien was Dom Emmanuel wel bij uitstek geschikt om te hervormen, want hij bracht vele jaren in de Kongo door waar de Achelse Kluis een dochterklooster had gesticht. Dom Emmanuel praat er heel graag over, over de avonturen, over de revolutie die er uitbrak waarbij de monniken met een helikopter uit hun gebouw gered zijn. Als ik hem vraag wat er nu eigenlijk zo geweldig was aan de Kongo, antwoordt hij zonder zich een ogenblik te bedenken: 'De grote vrijheid! We hadden geen slot, geen muur. Die grote vlaktes, en dan had je die geweldige onweren. Het was ook wel eenzaam, maar dat heeft me nooit gehinderd.' En op de vraag of er daar ook gezwegen werd, zegt hij wegwerpend: 'Welnee!'

Monniken leven voortdurend met elkaar op een betrekkelijk klein oppervlak. De ruimte in Kongo moet een verademing zijn geweest. Die geeft de gelegenheid om je medebroeders eens even te ontvluchten. In het boek Een leven van liefde. Cisterciënzers in de lage landen op weg naar de 21ste eeuw van Bert Claerhout lees ik dat een jonge kloosterzuster zegt: 'Je kijkt voortdurend in de ogen van je medezuster, ook in de ogen van die medezuster met wie je niet kunt opschieten en van wie je je afvraagt wat de Heer toch bezielde om haar ook te roepen.'

De monniken van de Achelse Kluis zijn terughoudend met hun commentaar op elkaar, maar dat ze heel verschillend zijn is zonneklaar. En dat dat wel eens wrijvingen moet geven ook. Een enkele monnik laat zich wel gaan in lichte roddel. 'Niet opschrijven', wordt er dan gezegd. Monniken zijn ook maar mensen. Soms onaangename mensen. Soms opstandige.

De zwijgplicht is voorbij

De regels zijn tegenwoordig minder streng, maar dat wil niet zeggen dat er geen regels meer heersen of dat de dagen gemakkelijk zijn. Trappisten staan nog steeds vroeg op. Ze staan zeven keer per dag in het koor om de getijden te bidden. Ze moeten nog steeds hun eigen brood verdienen, wat moeilijker gaat dan vroeger toen ze met landbouw en kleine handenarbeidbedrijfjes rond konden komen. Ze eten grotendeels uit de moestuin, ze verdienen wat met het brouwerijtje dat ongeveer direct is aangesloten op de tap van een café. De zwijgplicht is voorbij, maar men wordt wel geacht de stilte te bewaren. Roken mag wel, maar niet overal en altijd. Bij het middagmaal wordt een flesje bier gegeven - van Sint Benedictus mochten monniken wat wijn gebruiken. In zijn Regel schrijft hij: 'Eigenlijk is wijn niets voor monniken, zo lezen wij, maar in onze dagen kan men monniken hier niet meer van overtuigen.' Benedictus was geen scherpslijper.

Het belangrijkste van dit leven is voor de monniken niet wat er wel en niet mag. Zoals broeder Adelbertus, negentig jaar en de oudste van het klooster, zegt: 'Het gaat om het contemplatieve leven. De vereniging met God. Het kloosterleven schept een sfeer waarin wij er steeds op uit moeten zijn Gods wil te doen, ook in kleine dingen.' We zitten in de druivenkas te praten, waar hij zojuist op de fiets gearriveerd is, een wollen vest over zijn habijt. Hij is krom en hij ziet niet meer zo scherp, maar verder heeft broeder Adelbertus geen last van zijn leeftijd. Hij neemt wel eens de lift nu, waar hij tot voor kort onbekommerd de trappen op sjeesde. Meer niet. Hij is op zijn 22ste ingetreden ('een late roeping', zegt hij zelf), heeft een priesteropleiding gedaan, maar zijn leven is de tuin. Hij werkt er nog elke dag in. Broeder Adelbertus is streng in zijn opvattingen over het kloosterleven, van hem hadden de veranderingen niet hoeven plaatsvinden. 'Dat tornen aan alles in de jaren zestig is de oorzaak van de huidige crisis in het religieuze leven. Het was een derde beeldenstorm. In het benedictijner klooster in Vaals doen ze het nog op de oude manier. Vreemd genoeg hebben die geen roepingenprobleem. De abt van Vaals zei: ''Als je er niet beter van wordt, moet je het niet doen." Ik heb dat altijd gezegd, maar nu heb ik ook in de buitenwereld een medestander: Antoine Bodar.' Broeder Adelbertus betreurt dat het zwijgen is opgeheven. Hij demonstreert enkele van de gebarentekens, 'brood', 'abt', 'wit'. Over de maag wrijven betekent 'goed'. 'Je kon er niet veel mee uitdrukken', zegt hij. 'Ze waren ter bescherming van het stilzwijgen. Want hoe gaat het - vroeger maakte je een gebaar als je de schop wilde hebben. Nu vraag je: ''waar is die schop?" Zegt de ander: ''Die heeft die en die meegenomen en die broeder brengt nooit iets terug." Weg is het stilzwijgen. Sint Benedictus zegt: ''In het vele spreken kunt gij de zonde niet vermijden". En de zonde staat tussen ons en God.' Hij kijkt me aan. 'Het hele kloosterleven gaat ermee teloor.'

Onze broeders zijn geen engelen

Broeder Adelbertus' mening wordt door anderen niet gedeeld. Abt Marc zegt: 'De Regel van Vader Benedictus is niet veranderd wat betreft de stilte. In de 17de eeuw zei abt Charles de Benzeradt, de hervormer van de abdij van Orval, al tegen de hervormer van La Trappe : ''Monsieur de Rancé, nos frères ne sont pas des anges, mais des hommes" - onze broeders zijn geen engelen maar mensen. De stilte staat in dienst van de liefde. Moesten de broeders engelen zijn, in voortdurende godsbeschouwing, dan was het tegen de liefde ze aan te spreken en ze te storen in hun godsbeschouwing. Maar het zijn mensen, soms met affectieve noden. De abdij is een 'schola caritatis', een school waar men leert liefhebben: luisteren naar de noden van je broeders vraagt je soms te spreken. Zo komt het voor dat de broeders die het meest klagen over het verdwijnen van het engelenbeeld van de monnik, juist deze zijn die nu het meest spreken.'

De zieke broeder Simeon, die zijn hele leven in de boomgaard heeft gewerkt en nog steeds de blozende wangen van de buitenman heeft, vertelt: 'Ik kon met die tekens gewoon praten, je kon er soms meer mee zeggen dan met woorden.' Na zijn hersenbloeding een paar maanden geleden ('Ik ben er doorheen gekomen omdat ik geen hersens heb') kan hij niet meer lopen. 'Nou zal het met mij wel niet lang meer duren', zegt hij. Hij ligt hele dagen op bed in een kleine kamer boven in het klooster. Soms zit hij wat in een stoel, maar hij is bang eruit te vallen. Als ik kom zit hij te lezen in een boekje: Sint Jozef. Patroon van de goede dood. 'Da's een mooi boekje', zegt hij. 'Sint Jozef is honderddertig jaar geworden, dat wist je ook niet zeker?'Nee, en ik vind het een wonderlijk verhaal. Hij lacht. 'Ik heb nooit gestudeerd, maar zo'n boekje kan ik goed lezen, dat is voor het volk geschreven. De dood is geen straf, we moeten allemaal door die tunnel. Zo is dat mij gezegd: door een tunnel, en aan het eind ben je in de hemel.' Hij lacht weer. Hij lacht veel en graag, al is hij geschokt en geschrokken door wat hem overkomen is. 'Het valt niet mee als je niet kan lopen. Gelukkig heb ik een opgewekt karakter. Ge moet ermee leren leven, maar ik gun het geen man.'

Geen onderscheid meer tussen broeders en paters

Toen broeder Simeon intrad, bestond er nog onderscheid tussen de broeders, die vooral werkten, en de paters, die vooral het koorgebed onderhielden. Zijn broer Martinus was al broeder in het klooster, Simeon ging ook, een derde broer volgde. Hij vindt het heel goed dat het onderscheid tussen broeders en paters is opgeheven. De broeders moesten erg hard werken. 'Ik was een boerenjongen, ik kon ertegen, maar die stadsjongens niet.'

Broeder Joris denkt juist dat de broeders het beter hadden dan de paters, psychologisch dan. Omdat ze werkten, dat was gezonder dan dat almaar ingekeerd bezig zijn. Broeder Joris is gastenpater en altijd in de weer in en rond de keuken. Hij is ook degene die luidt voordat de diensten beginnen. In het donker om tien voor half vijf 's ochtends hoor je de klok en weet je: nu staat broeder Joris al te luiden.

Het is ontroerend, het geluid van die klok in de nacht en de gedachte dat er altijd overal in de nacht klokken van kloosters geklonken hebben en nog klinken, dat de omwonenden als ze het horen weten: de monniken gaan bidden. De eeuwigheid komt dit leven veel makkelijker binnen.

Hij is een buitenman, zegt broeder Joris van zichzelf, iemand die dolgraag de natuur in gaat en naar vogels kijkt. Op een dag leest hij me een stuk voor uit zijn vogeldagboek. Daarin beschrijft hij hoe hij op een ijskoude novemberochtend in 1985 toestemming van de abt had gekregen om niet in de Lauden te verschijnen. Hij kon daardoor naar het bos gaan, naar een meertje waarvan hij zeker wist dat er die ochtend kraan vogels te zien zouden moeten zijn. Ze waren er.

Nu is broeder Joris eigenlijk altijd binnen. Ze zijn maar met weinigen, er is geen tijd om weg te gaan. 'Enfin, 't is voor de communiteit', zegt hij. En hij geeft toe dat het ook wel een beetje aan hemzelf ligt: 'Want als ik echt zou zeggen: ik moet eruit, dan kon het wel.'

Broeder Joris is in Achel komen kijken toen hij nog in dienst was. 'Als u voor driekwart positief bent, moet u die ene kwart erbij pakken', zegt hij. 'Ik heb goede en kwade dagen, maar 't valt nogal mee.'

Dan moet hij weer weg, luiden.

De mooiste dienst, als het in termen van esthetica beschreven zou moeten worden, is de Completen, de dagsluiting. Na de psalmen (psalm 4: In vrede leg ik mij neer en ik slaap al) en hymnen, na de korte lezing uit de bijbel komen de monniken uit de koorbanken en gaan op de kerkvloer staan. Alle licht in de kerk is uit, behalve dat wat op het Mariabeeld hoog in de nok schijnt. Daarnaar kijken ze. En ze zingen Salve Regina. Daarna knielen ze tussen de banken en blijft het lang stil in de kerk. Elke avond. Alle jaren. Of er nu iemand bij is of niet.

'Zoals het was in het begin en nu en altijd, en in de eeuwen der eeuwen.'

's Ochtends om acht uur draagt broeder Adelbertus in een kleine kapel in de ziekengang een mis op voor wie niet naar beneden kan. Er zit één monnik die de hele dienst zwijgt. En er zit de man die de zieken verzorgt en die alle rituele antwoorden geeft tijdens de mis en die tevens als misdienaar optreedt. Tijdens de eucharistie hoor ik broeder Adelbertus nogal luid tegen deze man fluisteren: 'Ik weet niet of zij [de fotograaf en ik] ook ter communie gaan'. De man komt met de ouwel en een vragend gezicht naar mij toe. Ik schud glimlachend 'nee', althans dat denk ik, maar hij vat mijn hoofdgebaar op als 'ja', waardoor het aangeven en aanpakken van 'het lichaam van Christus' wat stuntelig verloopt. Mijn onhandigheid moet hem opgevallen zijn, want als hij met de miskelk komt zegt hij niet: 'bloed van Christus', maar: 'Neem maar een slok'.

Weg heilig ritueel. Zo makkelijk gaat dat. Als er maar even niet op de voorgeschreven manier gehandeld wordt, is er niets.

Abten worden democratisch gekozen

De cisterciënzers kennen de stabilitas loci, de trouw aan een plek. Men treedt niet, zoals bijvoorbeeld jezuïeten, in in de orde, los van waar men zich bevindt, men treedt in in een bepaald klooster. Toch komt abt Marc niet voort uit de Achelse gemeenschap, maar uit die van Orval. In 1989 dreigde de Achelse Kluis opgeheven te worden. Abt Marc Gallant werd toen van bovenaf aangesteld als tijdelijk overste, na zeven maanden werd hij bij verkiezingen door de broeders tot hun abt gekozen. Want trappisten zijn democratisch, abten worden gekozen, over belangrijke beslissingen wordt overlegd.

Abt Marc, 72 jaar oud, is een innemende man die veel giechelt. Hij lijkt een gelukkig mens. Op zondag, in de door mensen uit de omgeving drukbezochte mis, juicht hij bijna als hij het over 'de vrede van Christus' heeft. Als je hem ziet en hoort, is het niet moeilijk om in de waarde en de schoonheid van dit leven te geloven.

'De eerste die je ontmoet in een klooster ben je zelf', zegt hij nadat hij koffie en koek heeft laten brengen in een van de ontvangstkamers. 'Je moet leren jezelf te beminnen - hoe kun je anders God beminnen?' Abt Marc praat veel over de liefde. De liefde van God, dat is waarom hij het klooster ingegaan is als 22-jarige. 'Na de oorlog kwam de bevrijdingstijd, dat was een mooie tijd, er waren veel mooie meisjes bij ons. Maar als ik uit de dancing kwam, dan keek ik wel eens naar de sterrenhemel. En dan dacht ik: "Als God God is, dan ben ik bemind. Hij schept er niet nog een zoals mij. Als ik enig ben voor God, zal Hij ook enig zijn voor mij." Dan begint ge God te zoeken.'

Dat zoeken van God betekent, zegt hij, vooral luisteren. En niet alleen in de kerk. Altijd. 'De handenarbeid is een school van luisteren, naar de dingen. Als ik in de schrijnwerkerij werk, moet ik eerbied hebben voor dat domme plankje dat ik moet schaven. Of als u een hoop stenen op een wagen moet laden, dan moet u voelen wat er gebeurt op de punt van uw schop. Aandacht geven. Totaal openstaan voor de kleine werkelijkheid rondom ons om de Werkelijkheid van God te ontmoeten. Dat is typerend voor de trappisten, het is een werkelijkheidsspiritualiteit. Als hier iemand begint te leviteren, dan trekt een ander hem gauw naar beneden met zijn voeten op de aarde. Dat is waar hij hoort. Zeven keer per dag ga je naar de kerk om weer bij God terecht te komen, om niet af te dwalen. Dat is ons trucje, in plaats van yoga of zen. Monniken gebruiken grote middelen om christen te zijn.' Hij giechelt weer.

Hoe kunnen mensen zo leven?

In de dagen na mijn bezoek aan de Achelse Kluis lees ik veel over de cisterciënzertraditie en praat met mensen die ervan weten. Het is iets waar de gedachten steeds naar terugkeren: hoe kunnen mensen zo leven, hoe kan het dat er altijd mensen geweest zijn die dat hebben gekund en gewild? In zijn ideale vorm moet het wel bijna het mooiste leven zijn dat er bestaat, als men zich werkelijk vrij zou kunnen voelen en vervuld van God. Maar je moet dat wel kunnen.

Wat verlokt is de overgave, wat afschrikt de beperkte bewegingsruimte, zowel geestelijk als fysiek. De monniken mogen niet zonder toestemming van de abt de Kluis verlaten. Wie eens een lange wandeling wil maken, mag dat wel. Maar naar Eindhoven naar de bioscoop, dat gaat niet. Sommige monniken vinden dat benauwend. Broeder Johan bijvoorbeeld heeft er wel een beetje moeite mee dat hij niet meer kan reizen. Maar de abt zegt stralend: 'Als u zo met God leeft, voelt u een grote vrijheid. Als u daar niet toe komt, blijft u niet.' Hij is niet wereldvreemd, integendeel, maar het gaat hem niet om de praktische problemen van alledag. Hij is daar vrij van, hoewel hij er ook mee te maken heeft. Dat maakt hem, en dat leven van hem, benijdenswaardig. Toch bestaat de cisterciënzer geschiedenis ook uit veel onenigheid, ruzie, machtsstrijd, zowel tussen kloosters en abten als binnen de gemeenschappen zelf. Geïdealiseerd moet het beslist niet worden.

Een van de drie voorzangers in de kerk is broeder Titus (1948). Hij was autocoureur voordat hij op zijn 22ste in het klooster ging. 'Ik was nooit van plan om in het klooster te gaan', vertelt hij. 'Toen was ik eens op vakantie in Zwitserland en ik ging vroeg wandelen. Ik hoorde een kloosterklokje - nou, dat is een prachtig geluid. Ik hou ook van racegeluid hoor! Maar goed, ik ging naar dat klokje toe en daar waren acht nonnen aan het bidden, met niemand erbij.' Dat maakte indruk. Hij zegde de racewereld vaarwel om een biddend leven te gaan leiden. 'Er is niets zo nutteloos als het gebed, dat is net zo nutteloos als bijvoorbeeld een kus. Maar het heeft wel betekenis. Het gebed betekent dat ik vertrouw op iets anders, op iemand, je mag het God noemen, die mij de eerste twintig jaar heeft behoed. En nu nog. Ik rijd nog steeds te hard.' Hij is al twee keer zijn rijbewijs kwijt geweest, vertelt hij. Een scheurende monnik, met wapperende pij door de bochten, dat is een grappige gedachte.

Ik heb niets nodig, want ik heb God

Net als abt Marc praat broeder Titus graag over liefde. 'Omdat de liefde het heden is. Het gaat om het nu, niet om straks een beloning in de hemel.' Dat heden van de liefde, dat is wat de monnik ervaart als het hem goed gaat. 'Een goede liefdesrelatie, dat is het belangrijkste en dan doet het er niet toe of je binnenshuis moet blijven of armoede moet beloven. Ik heb niets nodig, want ik heb God.'

Dat zou ik ook wel willen kunnen zeggen. Maar voordat je een dergelijke uitspraak kan doen, moeten er vele jaren met alleen God, en met een handjevol broeders of zusters, voorbijgegaan zijn. Verder geen buitenwereld.

Hoewel het kloosterleven fascinerend en rustgevend is, moet ik ook toegeven dat het prettig is om na een paar dagen de poort weer uit te lopen, even later in de bus te zitten tussen de mensen, en een haring te eten aan een stal. God is in de details, zei Nabokov. Wie weet. M

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC Handelsblad. Begin dit jaar verscheen haar dichtbundel Zeehond graag bij uitgeverij Van Oorschot.

Carel van Hees publiceerde zijn foto's onder meer in M en Vrij Nederland. Hij werkt aan het boek Jeugd en hun stedelijke omgeving.

[streamliners]

Een klooster is een stille wereld. Zelfs al mogen de monniken nu, anders dan vroeger, wel praten, je hoort er zelden iemands stem, behalve tijdens de kerkdiensten. Dan zingen die stemmen.

Het kloosterleven is zowel benauwend, want je bent niet vrij om te doen wat je wilt, als bevrijdend, want je hoeft niet steeds te verzinnen wat te doen. De regel, met zijn dagindeling, geeft ruimte.

In de zesde eeuw schrijft Sint Benedictus in zijn Regel: 'Eigenlijk is wijn niets voor monniken, zo lezen wij, maar in onze dagen kan men monniken hier niet meer van overtuigen.'

In het donker om tien voor half vijf 's ochtends hoor je de klok en weet je: nu staat broeder Joris al te luiden. Het is ontroerend. De eeuwigheid komt dit leven veel makkelijker binnen.

Trappisten zijn democratisch, abten worden gekozen, over beslissingen wordt overlegd.

'Er is niets zo nutteloos als het gebed, dat is net zo nutteloos als bijvoorbeeld een kus.'