Winst en banen

Het is nog niet zo lang geleden dat in de maatschappij zeer negatief werd gereageerd als een bedrijf bekend maakte te moeten `afslanken', met andere woorden: dat een deel van het personeel op straat zou komen te staan. Als de onderneming aannemelijk kon maken dat het volledig sluiten van de tent het enig alternatief was, was er, zelfs bij de vakbonden, wellicht begrip voor zo'n beslissing. Maar o wee als een ondernemingsdirectie personeel alleen ontsloeg om kosten te besparen en zo de winst te vergroten.

Ook tegen deze zaken wordt tegenwoordig heel anders aangekeken. Tegenwoordig is er veel meer begrip voor, dat het doel van een bedrijf niet is om salarissen uit te betalen aan mensen die ooit een arbeidscontract voor onbepaalde tijd aangeboden kregen, maar gewoon om goede producten of diensten te maken en voldoende winst om aandeelhouders tevreden te stellen. Van een onderneming die zegt met minder mensen toe te kunnen, wordt ook niet meer onmiddellijk gedacht dat het er slecht gaat.

Een cynicus zal misschien zeggen dat dit grotere begrip te danken is aan geweldig toegenomen populariteit van het beleggen in aandelen. Immers hoe meer aandeelhouders er zijn, hoe meer mensen belang hebben bij hoge winsten bij bedrijven en des te minder zal de solidariteit met werknemers zijn.

Natuurlijk is er wel zo'n verband, maar dat kwam er pas nadat begin jaren negentig de welvaart begon te stijgen. Toen pas kregen steeds meer mensen de middelen om in aandelen te beleggen. Een van de oorzaken van het stijgen van die welvaart was dat in de jaren daarvoor bedrijven meer ruimte kregen om hun personeelsbestand aan te passen aan wat bedrijfseconomisch verdedigbaar was. Zo werd een vicieuze cirkel doorbroken: toen de bedrijfswinsten verbeterden, werd er weer geïnvesteerd en moesten bedrijven meer mensen in dienst nemen. Zo blijken aandeelhoudersbelang en werknemersbelang toch bij elkaar te kunnen komen.