Werkhuisje Wim Kan moet blijven

Het unieke, draaibare werkhuisje van cabaretier Wim Kan mag niet verloren gaan, vindt Henk van Gelder.

Het werkhuisje van Wim Kan staat er haveloos bij. Zeventien jaar na zijn dood blijkt de legendarische `één hectare absolute rust', waarin de cabaretier het allergrootste deel van zijn oeuvre (en zijn ontelbare brieven en dagboeken) schreef, in een deplorabele staat te verkeren. Kan had het huisje 360 graden draaibaar laten maken, zodat hij daar – achter zijn huis in Kudelstaart aan de Westeinderplassen – altijd het meeste zonlicht kon vangen. Maar nu kan het niet eens meer draaien, zoals Frits Abrahams op 29 augustus onthulde in zijn Dag-kroniek op de Achterpagina. En wat de nieuwe eigenaar van het huis met dit bouwseltje in de tuin van plan is, staat niet vast.

Het draaibare huisje van Wim Kan speelt in de Nederlandse cabaretgeschiedenis een rol van betekenis. In zijn later gepubliceerde dagboeken heeft Kan het er voortdurend over. De buitenwereld gaf hem niets dan drukte, en het werkhuisje was zijn toevluchtsoord. Hoewel hij een wispelturig en eindeloos twijfelend man was, viel het huisje nimmer bij hem uit de gratie. Hoewel het schrijven hem kennelijk nooit makkelijk is afgegaan, moet hij er toch regelmatig als een spinnende poes hebben gezeten. ,,Deurtje staat open. Kacheltje snort,'' noteerde hij op 10 mei 1974.

Met de artistieke nalatenschap van Kan is uiteindelijk alles in orde gekomen. Tijdens zijn leven schonk hij al veel materiaal aan de afdeling amusement van het Theater Instituut Nederland. Na zijn dood kwam er, aan de Herengracht in Amsterdam, nog veel meer binnen. Toen er vervolgens onverwachts nog dozen vol foto`s, plakboeken, attributen, notities en andere memorabilia op een veiling opdoken – afkomstig uit familiebezit – dreigde dat verspreid bij verzamelaars terecht te komen. Maar net op tijd slaagde het Theater Instituut erin ook die extra schat aan materiaal te verwerven. Het lijkt erop dat daar nu alles van waarde op één plek te vinden is. Weliswaar is in dit instituut geen permante tentoonstelling ingericht, maar de collectie is te allen tijde toegankelijk voor wie er studie naar wil doen.

De vraag is alleen wat er nu met dat huisje moet gebeuren. Het spreekt vanzelf dat zo'n bijzonder monumentje, waar zo veel bijzonder werk is verricht, bewaard dient te blijven. Het overstijgt het privé-belang van een nieuwe bewoner. Als het woonhuis van een belangrijke Nederlander na diens dood door een ander wordt betrokken, is er niets aan de hand. Hooguit kan er dan een gedenksteen aan de gevel komen: hier woonde X. Maar een draaibaar werkhuisje is iets anders. Dat is uniek.

Voor de instituten die zich ontfermen over artistieke nalatenschappen, vormen de attributen altijd een lastig geval. Geschriften en ander werk zijn goed te bewaren. Maar wat te doen met de minder hanteerbare spullen? En heeft het eigenlijk wel enig belang om die met dezelfde zorg te omringen? Het is een vraag waarmee bijvoorbeeld ook het Letterkundig Museum vaak worstelt. Toen daar werd besloten de stofzuiger van Simon Vestdijk in de collectie op te nemen, was de spotternij niet van de lucht. Toch viel er iets voor te zeggen om het ding te bewaren. Het was niet zomaar een huishoudelijk apparaat, maar het bewees Vestdijk onschatbare diensten. Hij placht immers oordopjes in te doen en de stofzuiger aan te zetten, aldus het Letterkundig Museum, ,,om te kunnen schrijven zonder door onverwachte geluiden te worden afgeleid.''

Dat is vergelijkbaar met de beweegredenen die Wim Kan had om zijn huisje te laten bouwen.

Ook het Theater Instituut werd onlangs geconfronteerd met een soortgelijke kwestie. Wim Ibo, de belangrijkste geschiedschrijver van het Nederlandse cabaret, liet bij zijn overlijden niet alleen een bijzondere collectie schilderijen, documenten, geluidsopnamen en plakboeken na, maar ook een halletje. In zijn kleine appartement in Amsterdam, aan de Nieuwe Herengracht, heeft hij jarenlang iedere prominente bezoeker (en dat was vrijwel iedereen) een handtekening op het witte pleisterwerk laten zetten. Het stond er van boven tot onder vol handtekeningen, als een gastenboek waarin ruim een kwart eeuw Nederlands cabaret was vastgelegd. En wat moest dáár nu mee gebeuren?

De voorlopige uitkomst is dat het wel zorgvuldig zal worden gedocumenteerd – op foto's en/of film – maar niet in zijn geheel wordt losgebikt en naar de oude Herengracht verhuist. Dat lijkt een verstandig compromis.

Bij het bewaren van voorwerpen geldt steeds de vraag of het onderhavige object rechtstreeks met het werk te maken heeft. Dat gaat voor de schrijfcassette van Jacques Perk en diens gouden vulpotlood, of de typemachine van A.M. de Jong (in het Letterkundig Museum) net zo op als voor de strohoedjes, de kostuums en de schminkkistjes in het Theater Instituut. De spiekborden van Wim Kan liggen daar trouwens ook al.

Maar zelfs een typemachine en een stapel spiekborden zijn makkelijker in een collectie op te nemen dan een werkhuisje. Bij het Theater Instituut is geen onderdak te vinden, zo blijkt bij navraag – niet alleen omdat het niet door de deur kan, maar ook omdat niemand weet waar het vervolgens zou moeten staan. Er moet echter een andere oplossing te vinden zijn. Het kan blijven staan waar het staat, als het tenminste wordt opgeknapt en weer draaibaar wordt. Het kan ook worden getransporteerd naar een andere locatie. Net als het nogal onbeholpen geproportioneerde beeldje van Wim Kan en Corry Vonk, dat van het Leidseplein in Amsterdam naar de boulevard van Scheveningen verhuisde. Een openbare plek is wellicht praktischer dan de achtertuin van een privé-woning, ook al ontbreekt dan het uitzicht over het water van de Westeinderplassen dat de grote cabaretier zoveel inspiratie gaf.

Zo lang het maar niet wordt gesloopt. Het werkhuisje van Wim Kan moet blijven.

Henk van Gelder is medewerker van NRC Handelsblad.