VERBOD OP GEBRUIK GROEIBEVORDERAARS IN VEEHOUDERIJ WERKT

Het verbieden van antibiotica als groeibevorderaar in de veehouderij lijkt een effectieve maatregel om de volksgezondheid te verbeteren. Onderzoekers van de Universiteit van Maastricht vonden dat het verbod op de groeibevorderaar avoparcine in 1997, al na twee jaar had geleid tot een forse daling van het in mensen gevonden percentage bacteriën dat resistent is tegen het medisch gebruikte antibioticum vancomycine (Journal of Antimicrobial agents and Chemotherapy 2000: 46). Vancomycine geldt als het laatste redmiddel om resistente bacteriën te bestrijden.

Al sinds eind jaren zestig is er kritiek op de toevoeging van antibiotica aan veevoer, als middel om pluimvee en varkens sneller te laten groeien (dankzij een geringere infectieziektebelasting en een iets snellere stofwisseling). Risico van het grootschalig en continu inzetten van antibiotica is dat deze bacteriedoders op een gegeven moment niet meer werken omdat dan te veel bacteriën resistent zijn geworden. Dit bedreigt niet alleen het vee, maar ook mensen die vlees eten met resistente bacteriën erop. Resistentie-ontwikkeling is vooral een probleem voor patiënten met acute infecties, voor wie het dodelijk kan aflopen als artsen niet snel een effectief antibioticum vinden. In 1997 kondigde de EU een voorlopig verbod af op de groeibevorderaar avoparcine, omdat dit antibioticum chemisch overeenkomt met het medicijn vancomycine. In 1999 schortte ze ook het gebruik op van drie andere groeibevorderaars die overeenkomen met medische antibiotica. De farmaceutische industrie en veevoederproducenten hebben zich hier jarenlang tegen verzet, omdat ze de relatie tussen groeibevorderaars in de veehouderij en resistentie-ontwikkeling bij schadelijke bacteriën in mensen, onvoldoende vonden aangetoond. Deze studie is opnieuw een aanwijzing dat groeibevorderaars wel degelijk bijdragen.

De Maastrichtse onderzoekers bestudeerden de darmflora van 117 gezonde Nederlanders (stedelingen en dorpelingen) vlak vóór het verbod op de groeibevorderaar avoparcine, en twee jaar daarna. In 1997 bevatten de ontlasting van 48 procent van de proefpersonen bacteriën die resistent waren tegen het met avoparcine verwante medicijn vancomycine. In 1999 was dat nog maar zes procent. De onderzoekers vonden ook in de feces van slachtkuikens en varkens een forse daling van het percentage vancomycine-resistente bacteriën. Het percentage bacteriën resistent tegen erythromycine, een medicijn dat overeenkomt met een groeibevorderaar die tot 1999 nog in de handel was, was in 1997 en 1999 ongeveer gelijk, zoals was te verwachten.

De resultaten stroken met eerder buitenlands onderzoek. In Duitsland, dat avoparcine in 1995 verbood, bevatte in 1995 nog alle monsters kippenvlees vancomycine-resistente bacteriën, en in 1997 nog maar een kwart. Bij mensen nam het aantal monsters ontlasting met resistente bacteriën af van twaalf tot drie procent. De EU wil uiteindelijk alle groeibevorderaars verbieden, ook de antibiotica die niet lijken op antibiotica die artsen voorschrijven. De veehouderij experimenteert inmiddels met alternatieven zoals de toediening van heilzame bacteriën (probiotica), beter voer en betere hygiëne.

Rectificatie

In het artikel `Verbod op gebruik groeibevorderaars in veehouderij werkt' (W&O 2 sept), over het verbod op groeibevorderaars in de veehouderij is helaas een fout geslopen. In 1997, het jaar dat avoparcine werd verboden, bevatte niet bij 48 procent, maar bij twaalf procent van de 119 proefpersonen de ontlasting bacteriën die resistent zijn tegen het medisch gebruikte antibioticum vancomycine. Nog steeds significant meer dan twee jaar na het verbod, toen zes procent van de 173 proefpersonen vancomycine-resistente bacteriën bevatte, maar de daling in de hoeveelheid vancomycine-resistente bacterien is dus niet zo fors als werd gesuggereerd.