SCHOOL ZONDER MESSEN

Onderwijs in het Arabisch moet Tjadische islamieten verleiden hun kinderen naar school te sturen. Maar de angst voor invloed van de radicale islam groeit.

`Le refus de l'école' (het weigeren van scholing) is een begrip in Tsjaad. Het verwijst naar een periode waarin hele volksstammen in het islamitische noorden van het land hun kinderen weghielden van de scholen van de koloniale, christelijke Fransen. De Fransen zijn nu weg, maar hun schoolsysteem is gebleven en functioneert (in het Frans) in het zuiden van het land redelijk. Maar onder islamitische kinderen in het noorden gaat nog steeds veel minder dan het landelijk gemiddelde van 66 procent naar school. Ouders zijn bang dat ze de koran zouden vergeten.

Beleidsmakers zijn bezorgd over het onderscheid tussen geschoolde en ongeschoolde burgers dat langs dezelfde lijnen verder inslijt. Tsjaad is een land dat zich steeds weer opsplitst in noord en zuid: veetelers tegen landbouwers, wapens tegen kennis, islam tegen christendom.

Onderwijs in het (Standaard) Arabisch moet nu een eind maken aan het wantrouwen van islamitische ouders. Sinds het plan gerucht maakt, krijgt het ministerie van onderwijs inderdaad al meer vragen dan het kan beantwoorden van dorpen om een `ustas', een Arabisch sprekende leerkracht. Onderwijs in het Arabisch sluit ook aan bij één van de twee meest geciteerde verklaringen uit de grondwet van 1996: `Tsjaad is tweetalig', dat wil zeggen dat het Standaard Arabisch naast het Frans de officiële taal van het land is.

Opvallend veel ouders in de hoofdstad N'Djamena gokken de laatste tijd op beide paarden tegelijk. Limane Mahamat bijvoorbeeld heeft een goede baan als boekhouder en stuurt al zijn kinderen naar school. Drie zitten er op een gewone school, waar het onderwijs in het Frans is, en drie gaan naar een Arabischtalige school. Alleen vakken als rekenen en natuurkunde worden daar in het het Frans gegeven, de rest, waaronder islamitische opvoeding en koranlezing, in het Arabisch.

Met de officiële talen is het vreemd gesteld in Tsjaad. Beide worden weinig gesproken en amper gelezen. Frans spreekt ongeveer een kwart van de bevolking, 8 procent kan het lezen. Maar het is wel de taal van de overheid. Er zijn meer dan honderd andere talen waarvan men zich bedient, waaronder het Tsjaads Arabisch, dat ruim de helft van de bevolking spreekt. Het is een dialect dat een beetje lijkt op de Marokkaanse versie van die taal, maar dat onverstaanbaar is voor sprekers van het Standaard of `literaire' Arabisch, de taal van het internationale verkeer en van de kranten in de Arabische wereld, dat bijvoorbeeld in Egypte gesproken wordt. Toch is juist het Standaard Arabisch, dat slechts 2 procent van de bevolking van Tsjaad leest en schrijft, tot nationale taal uitgeroepen.

Aanvankelijk veranderde dat niets. Alle rapporten en mededelingen van de overheid zijn nog altijd in Frans. Het zou niet alleen onpraktisch, maar ook peperduur zijn om alles te vertalen in het Arabisch. Waarom is dan ook niet gewoon het Tsjaads Arabisch als nationale taal gekozen? Omdat het niet zuiver is, niet in Arabisch schrift geschreven kan worden en omdat het niet acceptabel zou zijn om de taal in Latijnse karakters om te zetten, zegt een belangrijke groep conservatieve mensen uit het noorden.

uitnodiging

Maar de laatste tijd verandert het straatbeeld in de grote steden. Arabisch schrift siert de billboards en naamborden van instellingen en bedrijven. De hefboom is niet het beleid van het ministerie van Onderwijs, maar geld. Een medewerker van dat ministerie klopt aan bij de adjunct-directeur-generaal, Kodi Mahamat. Hij heeft een kaart bij zich van een Saoedische bank, of Kodi even kan zeggen wat er staat. Het blijkt een uitnodiging te zijn voor de presentatie van een nieuw fonds voor ontwikkelingsprojecten. Dat is het punt: Tsjaad is arm en de Arabische overheden en islamitische hulporganisaties geven miljoenen voor wegen, water, handel, onderwijs en liefdadigheid. Het loont de moeite om hun taal te leren.

Tsjaad heeft Frankrijk een beetje afgeschud en de Golfregio hapt blij toe – binnenkort is er immers wél wat te halen, als de olie ontgonnen wordt. De Islamitische Ontwikkelings Bank besteedt de komende vijf jaar 300 miljoen gulden, deels gift, deels lening, aan Arabisch leermateriaal, de vorming van Arabischtalige onderwijzers en 158 klaslokalen in twee noordelijke prefecturen.

Modern onderwijs moet niet alleen aanvaardbaar worden voor islamieten, de kwaliteit van het bestaande Arabischtalige onderwijs moet ook omhoog. Afgezien van de duizenden privé-koranschooltjes, waar kinderen de koran leren kopiëren, maar niet Arabisch lezen of schrijven, zijn er de `madrassa's', waar taal, grammatica, godsdienst en een beetje rekenen worden onderwezen. Daarnaast schieten nu Frans-Arabische buurtscholen uit de grond, die opleiden voor het publieke baccalaureat in het Arabisch. De onderwijzers op zowel madrassa's als Frans-Arabische scholen zijn vaak jongens die een paar jaar in Soedan `op avontuur' zijn geweest. Sinds de belofte van tweetaligheid komen ze terug. Ze spreken vloeiend Arabisch en zijn streng in de islamitische leer, maar hebben geen didactische kwaliteiten en geven hoofdzakelijk taal, geschiedenis en islamitische opvoeding. De examens zijn in principe hetzelfde als de Franstalige, in praktijk wordt er vooral met de vragen voor de exacte vakken gesjoemeld. Over een paar jaar moeten er voldoende Arabischtalige leraren in alle vakken zijn. Intussen laat Limane voor zijn dochter Yakoura, die op een van de beste Frans-Arabische scholen zit, 's avonds een leraar aan huis komen, die haar rekenen en toch ook maar wat extra Frans leert.

De veertienjarige Yakoura heeft zelf gekozen voor de Ibnou Cina school. Jongens en meisjes zitten er in aparte lokalen. Meisjes, in lange broeken en lange mouwen, mogen pas naar buiten als een familielid ze 's middags komt ophalen. ``Sommigen klagen dat we zitten opgesloten. Maar het gaat mij om de goede opvoeding en de veiligheid'', zegt Yakoura. ``Wij leren niet te kletsen, niet te ruziën, dat je geen hennatekeningen op je handen mag tot je getrouwd bent. En bij ons treiteren de jongens je niet en ze mogen geen messen bij zich hebben.'' Dat is inderdaad een grote verdienste. Op alle openbare scholen in de steden gaan jongens elkaar zeer regelmatig met messen en vuurwapens te lijf en voelen meisjes zich permanent geïntimideerd. Op de madrassa's en Frans-Arabische scholen, die onder toezicht staan van een imam, zijn die dingen uitgesloten. Het zijn de enige scholen die veel meer meisjes dan jongens aantrekken. En dat alleen al pleit voor deze vorm van onderwijs.

Weinig christenen in Tsjaad geloven dat men met het invoeren van het Standaard Arabisch onderwijshervorming op het oog heeft. Ze zijn doodsbenauwd voor het aanscherpen van verschillen tussen bevolkingsgroepen in een land dat sinds zijn onafhankelijkheid bijna dertig jaar burgeroorlog heeft gekend – waarbij het christelijke zuiden de laatste twintig jaar het onderspit dolf. Voor hen is het Standaard Arabisch de taal van de islam, gelijk aan het koran-arabisch (een dode taal). ``Doe maar uit'', zeggen ze als op de radio Standaard Arabisch klinkt, ``ze gaan bidden.'' En denk erom, `le Tchad est un pays laïque', herhalen ze bevreesd de tweede meest geciteerde zin uit de grondwet.

Is de angst voor het verband tussen de terrein winnende taal en godsdienst overdreven? Abbas Mahamat van ISESCO, de islamitische Unesco: ``Ik moet er om glimlachen. Vijftig jaar geleden waren wíj bang voor christelijke indoctrinatie via het het Franse onderwijs. Nu is het omgekeerd. Natuurlijk is taal verbonden aan cultuur, maar het is niet de bedoeling om de islam te onderwijzen.''

Maar ook doorsnee islamieten identificeren het Standaard Arabisch volledig met hun geloof en kunnen zich bijvoorbeeld niet voorstellen dat Radio Vaticaan ook in het Arabisch wordt uitgezonden. En door gebrek aan leermiddelen wordt voor de Arabische les in feite vaak gebruik gemaakt van teksten uit de koran en de hadith.

De stroming van de islam die in Tsjaad dominant is, is veel wereldser dan de strenge opvattingen in de buurlanden Libië en Soedan. De mogelijkheid dat het Standaard Arabisch het vehikel wordt van de islam van die landen neemt Kodi Mahamat, zelf islamiet, serieus. ``Het probleem met het Arabisch onderwijs is dat het het integrisme stimuleert. Al die vrouwen die je sinds kort in het zwart over straat ziet lopen, zijn gewoon vrouwen van hier. Maar we hebben geen controle. De overheid heeft al jaren weinig voor het onderwijs kunnen doen, fondsen als Dadawa Islamiya en Libië doen dat wel.''

politiek en opruiend

Begin dit jaar kreeg het ministerie een schenking van vijfhonderdduizend schoolboeken van Libië. Kodi ging voor ontvangst naar de douane, vergezeld van de imam van de Grote Moskee. ``Ik blader wat en lees overal `Arabische natie, islamitische opvoeding...' Zeer politiek en opruiend. Ik heb een commissie alle boeken met paragrafen van die strekking er uit laten halen en de boel laten opslaan om later terug te sturen of te vernietigen. De minister van Buitenlandse Zaken was het ermee eens, maar de imam was woedend. En na een paar weken dook de hele handel op de markt op. Wat Libië twintig jaar geleden met de wapens niet lukte, lukt ze nu met geld en diplomatie. Ze koloniseren ons.''

Verbonden met de taal of niet, de toenemende invloed van het fundamentalisme in de islam is duidelijk merkbaar. De moskeeën zitten voor het eerst in decennia weer vol jonge mannen, steeds meer mannen weigeren een vrouw een hand te geven en sinds enkele maanden wordt op vrijdag een grote verkeersader in N'Djamena midden op de dag over honderden meters afgezet voor de even lange rij mensen die daar dan gezamenlijk bidden.

Gali Ngoté, een bekende christelijke politicus uit het zuiden van het land, is net terug uit Kairo waar hij een jaar Arabisch studeerde. Een hoopvol teken van integratie. Wil hij in het verkiezingsjaar 2001 laten zien dat hij de andere helft van bevolking ook serieus neemt? ``Ik wil er vooral achter komen wie zich achter die taal verschuilen.''