Pompstations

In het artikel van Egbert Kalse `Hoofdpijnregeling voor pompstations' (NRC Handelsblad, 16 augustus) staat dat tankstations in de grensstreek weigerden om de Europese Commissie de nodige informatie te verschaffen ter beoordeling van toegekende compensatie voor geleden schade. Dit is onjuist.

De desbetreffende tankstations hebben deze informatie destijds wel degelijk verschaft, maar deze werd niet geaccepteerd door de Europese Commissie. De mondelinge overeenkomsten die de tankstations met hun leverancier hadden gesloten werden als onvoldoende gekwalificeerd. Uiteindelijk moesten er dure accountants aan te pas komen om de mondelinge afspraken, die volgens de Nederlandse wet nota bene gelijk zijn aan schriftelijke, een dusdanige status te geven, dat ze door de Commissie alsnog zouden worden geaccepteerd.

Hieruit blijkt wel dat de toenmalige Eurocommissaris Van Miert (Mededinging) hier, in tegenstelling tot hetgeen in het artikel staat, juist helemaal niet goed in de gaten had hoe de brandstofmarkt in elkaar steekt. Hij wist of begreep blijkbaar niet dat er ook mondelinge overeenkomsten bestaan tussen pomphouders en oliemaatschappijen.

De opvolger van Van Miert, Monti, doet er verstandig aan om op dit gebied niet hetzelfde beleid als Van Miert te volgen. Monti zou zich bovenal hard moeten maken voor gelijke accijnzen binnen Europa. Dat zou het geloof in de deskundigheid van de Europese Commissie op het gebied van eerlijke concurrentie op de brandstofmarkt enorm doen stijgen.