Pionieren in een plantenbak

Er is weer hoop voor de natuur. Nederland bouwt aan een groot netwerk van natuurgebieden, de Ecologische Hoofdstructuur. Maar de mooie plannen zijn moeilijk uit te voeren: boeren liggen dwars. Provincies werken tegen. En de verzuring gaat gewoon door.

Neem Diever, Zuidwest-Drenthe. Waar ooit de Vledder Aa door het landschap kronkelde, ligt nu een soort kanaal dat het water met grote snelheid afvoert. Op de plaats waar dit heideriviertje ooit samenstroomde met de Tilgrup, kabbelt nu alleen dit aantrekkelijke beekje. De Vledder Aa ligt sinds vijftig jaar een eind verderop. Gekanaliseerd. Genormaliseerd. Om de landbouw op de ontgonnen heidevelden te vergemakkelijken.

We lopen door natuurgebied De Hertenkamp bij Diever, in gezelschap van Roelof Schuiling, beheerder van Vereniging Natuurmonumenten, een bedachtzame vijftiger. Hij wijst naar de voormalige landbouwgronden, waar koeien graasden en aardappelen en maïs werden verbouwd. Hoe meer hoe beter – want armoede zoals in het begin van de eeuw wilde men liever nooit meer meemaken. De hei werd geëxploiteerd. Slenken en vennen werden dichtgegooid met zand dat vrij kwam bij het uitdiepen en verbreden van de Vledder Aa, en bij het graven van greppels en sloten die de akkers en weiden droog moesten houden. Talloze bloemen, planten en beestjes hielden het voor gezien. Een dor, eendimensionaal landschap bleef over.

Het zijn dit soort gebieden die de laatste tien jaar opnieuw worden ingericht als natuurgebied. De Hertenkamp maakt deel uit van de zogenoemde Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Er gaat veel mis bij het tot stand brengen van deze EHS: een deel van de boeren werkt niet mee, provincieambtenaren maken hun eigen plannen, en milieudoelstellingen blijven buiten bereik.

Maar De Hertenkamp heeft geluk gehad. Nu de boeren uit het honderd hectare grote natuurgebied vertrokken zijn, zie je de eerste tekenen van herstel, zoals het ruiger wordende grasland met reigers op zoek naar mollen en muizen. Het echte herstel volgt de komende jaren, als een omvangrijke herinrichting van in totaal vijftien miljoen gulden door Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en het waterschap zal zijn afgerond. Tijdens deze herinrichting worden ook twee aangrenzende natuurgebieden aangepakt. De Vledder Aa zal weer meanderen in haar oorspronkelijke beekdal. De sloten en greppels worden dichtgegooid met zand dat vrijkomt na het blootleggen van de plaatsen waar volgens oude kaarten slenken en vennen lagen. Er zal afgeplagd worden, dat wil zeggen dat de bovenste laag van de voormalige landbouwgrond wordt weggehaald om er weer voedselarme, schrale grond van te maken, goed voor de biodiversiteit. Het gebied zal weer natter worden. Het zal extensief begraasd worden. En hoewel je nooit kunt voorspellen hoe de natuur zich precies zal ontwikkelen, zegt Roelof Schuiling, zal waarschijnlijk een rijke vegetatie terugkeren, met soorten zoals dopheide en de vleesetende kleine zonnedauw, met dieren als dodaars en geoorde fuut en rondom de vennen ringslangen en adders. De boeren ten zuiden van het gebied die hun bedrijf hadden afgestemd op afwatering door de brede Vledder Aa, krijgen als compensatie een nieuwe sloot, met water uit de Drentse Hoofdvaart.

De EHS is beleidsconcept dat eind jaren tachtig werd bedacht als tegenhanger van de economische hoofdstructuur in Nederland. Naast het ontwikkelen van woningbouw, bedrijventerreinen en infrastructuur zou er ook gewerkt moeten worden aan een robuust stelsel van natuurgebieden, de groene ruggengraat van Nederland. Het concept was ecologisch gefundeerd op een nieuwe biologische theorie, de zogenoemde eilandentheorie, waarin je de natuurgebieden in Nederland kon beschouwen als eilanden in een zee van natuurloze oppervlakken in de stad of in de landbouw. De strategie was vanaf het begin om deze vaak versnipperde natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden. Bovendien moest er een stevig milieubeleid gevoerd worden om te voorkomen dat de bestaande natuur het loodje zou leggen door lucht- en bodemvervuiling, door de oprukkende bebouwing en infrastructuur. In 2018 zou de EHS af moeten zijn. Dan moet een kleine twintig procent van het Nederlandse grondgebied uit natuur bestaan.

Bedenker van het plan is de bioloog André van der Zande, destijds werkzaam op het ministerie van Landbouw en inmiddels algemeen directeur van Alterra, het wetenschappelijke onderzoekscentrum voor de groene ruimte in Wageningen. Hij spreekt met gepaste trots van een succesformule, die destijds onmiddellijk aansloeg omdat er in Nederland bij alle vreselijke berichten over uitstervende dieren en verdwijnende planten grote behoefte was aan iets positiefs: niet alleen het beschermen en behouden van verdwijnende natuur, maar ook laten zien dat er nieuwe natuur kan bijkomen. Het idee sloeg bovendien aan bij politici, omdat in die periode duidelijk werd dat niet iedere hectare in Nederland nog langer door de landbouw hoefde te worden ingenomen. Bovendien was er een milieugolf gaande.

Van der Zande weet zich nog goed te herinneren hoe het uitsterven van de otter op het departement van Landbouw een sleutelargument werd. Hoe toenmalig minister Braks, terugkerend van weer een landbouwvergadering in het buitenland, telkens weer vroeg of het nu werkelijk zo erg was met de natuur als Van der Zande beweerde, en hem dan toch gelijk moest geven als hij wees op het uitsterven van de otter, het meest aaibare waterzoogdier, uitgerekend in een waterland als Nederland. Daar was Braks gevoelig voor, herinnert Van der Zande zich. Met de Ecologische Hoofdstructuur kon je door aansprekende voorbeelden onder de juiste condities en met voldoende grond toch weer echte natuur maken. Zie bijvoorbeeld de Oostvaardersplassen, waar de biodiversiteit van vogels gigantisch gestegen is. Dat gaf de mensen weer hoop in plaats van defaitisme, geloof in de natuur.

Inmiddels is het inzicht gevorderd dat de Ecologische Hoofdstructuur niet alleen is bedoeld om de natuur zelf te beschermen – staatssecretaris Faber (Natuur) nam onlangs zelfs het woord elitair in de mond – maar ook de door stress geplaagde mens kan helpen tot rust te komen. De natuur moet de leefbaarheid vergroten. Je moet er naartoe kunnen. Je kunt natuurgebieden beheren tot je een ons weegt, zo is de huidige gedachte uit het laatste beleidsplan van Faber, maar als je ze nooit de kans geeft om de wonderen der natuur zelf te ontdekken, dan krijg je ook geen draagvlak voor natuurbeleid. Te lang hebben stadskinderen geen salamanders kunnen vangen in een sloot om de hoek van hun huis. Als we niet oppassen heeft niemand meer die aha-belevenis die je tot natuurliefhebber maakt. Daarom moet er meer natuur in en rondom de stad worden gemaakt. Parken en water. Daarom moeten ook de belangrijke natuurgebieden uit de Ecologische Hoofdstructuur nog toegankelijker worden gemaakt. Tot op zekere hoogte. In de duinen mag je met een mountainbike rijden, maar geen motorcross organiseren en ook niet kamperen.

Er is eerst een ruwe kaart gemaakt met kansrijke gebieden waar je het beste de natuurgebieden zou kunnen vergroten. Dat zijn gebieden aan de randen van bestaande natuurgebieden, zoals de Veluwe en grote bossen, en gebieden waar de milieucondities zo gunstig goed zijn dat de waardevolle planten en dieren er bij wijze van spreken voor het oprapen liggen, zoals de binnenduinrand waar kalkrijk water binnentreedt, een buffer tegen verzuring. Vervolgens is het beleid gedecentraliseerd. Na de nodige bestuurlijke touwtrekkerij zijn de provincies begonnen om de potentieel waardevolle gebieden precies te begrenzen, en om contracten af te sluiten met eigenaren over het wijzigen van de functie van hun grond. Er zijn gebieden aangekocht. Er zijn afspraken gemaakt met boeren die hun land als natuurgebied in beheer hebben. Er zijn gebieden ingericht als nieuwe natuur. De Oostvaardersplassen, de Millingerwaard, de Blauwe Kamer. Noem maar op.

Maar er gaat ook veel mis. Staatssecretaris Faber constateerde onlangs in deze krant dat de provincies het helaas niet altijd even nauw nemen met het nastreven van natuurdoelen. Een prachtig idee op nationaal niveau presenteren is één ding, maar het op lokaal niveau uitwerken met allerlei tegengestelde belangen tussen gemeenten, natuurbeschermers, boeren en andere grondeigenaren is iets anders. Tot drie keer toe heeft het rijk convenanten gesloten met de provincies waarin de precieze begrenzing van de natuurgebieden aan een tijdslimiet werd gekoppeld, maar nog altijd is de begrenzing niet helemaal klaar. Zo duurt het wel heel lang voordat de otter weer door Nederland zwemt.

Uit ongepubliceerde cijfers van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij blijkt hoezeer de provincies zijn afgeweken van de afgesproken EHS-grenzen. Van de gebieden op de EHS-kaart die reservaat of `beheersgebied' zouden moeten worden, ligt 27 procent buiten de ruwe grenzen. Van de gebieden waar actief nieuwe natuur zou moeten worden geschapen, de zogeheten natuurontwikkelingsgebieden, ligt 21 procent buiten de EHS-grenzen.

Een van de oorzaken is dat lokale ecologen de neiging hebben, tot frustratie van landelijke beleidsmakers, om liever kleine stukjes natuur in hun regio te redden dan aan te sluiten bij nationaal beleid. Bovendien, zo luidt de analyse van natuurbeschermers, laten provincies hun oor maar al te graag hangen naar de goed georganiseerde boerenlobby. Veel boeren beschouwen het wijzigen van agrarische grond in natuur als een vorm van kapitaalvernietiging. Hebben ze jarenlang hun grond bewerkt om het nu te laten veranderen in een moeras? Ook wordt het vestigen van natuur nogal eens opgevat als een aantasting van het platteland, de leefbaarheid is in het geding. Daar wil geen enkele politicus zich aan branden.

De ruimte is schaars. Vooral in het westen van Nederland stokt het aankoopbeleid van de Dienst Landelijk Gebied, die met het verwerven van grond is belast. De grondprijzen stijgen tot grote hoogte. Daarvoor heeft het kabinet extra geld vrijgemaakt, maar het is de vraag of het genoeg is om ook in de toekomst de prijzen te kunnen betalen.

Nog belangrijker is dat boeren hun land liever onder zich houden. Ze willen in ruil voor subsidie best slootkanten ecologisch verantwoord onderhouden, nesten van weidevogels sparen, of houtwallen en heggen plaatsen ten behoeve van de veldhamster, maar hun bedrijf opgeven is een tweede. Velen hopen een hogere prijs te kunnen krijgen van projectontwikkelaars, om daarmee een nieuw bedrijf elders te kunnen beginnen. Maar ook elders is de ruimte schaars. Dus blijven gronden op cruciale plaatsen buiten bereik van de natuur.

Een recent voorbeeld is het Bentwoud bij Zoetermeer, dat overigens formeel niet tot de Ecologische Hoofdstructuur behoort, maar wel voor het natuurbeleid van groot belang is. Daar hebben de boeren gezamenlijk afgesproken geen grond meer te verkopen ten behoeve van de natuur. En dat, fulmineert Alterra-directeur Van der Zande, terwijl het Bentwoud met spoed zou moeten worden aangelegd. Waar inwoners van de zuidelijke randstad in de weekeinden gemiddeld twee keer zo ver rijden om in de Heuvelrug of de Veluwe van de natuur te genieten als mensen in het oosten, met alle verkeerscongestie, persoonlijk ongemak en milieudruk van dien, zou het Bentwoud straks uitkomst kunnen bieden.

Iedereen is het erover eens dat de ooit zo wervende campagne voor de Ecologische Hoofdstructuur is gesmoord in lokale stroperigheid. Volgens Van der Zande is de democratie een groot goed, maar heeft de natuur daarvoor een zeer hoge prijs moeten betalen.

Hij herinnert zich namens het rijk lange onderhandelingen te hebben moeten voeren met de provincie Friesland, die uiteindelijk gedaan kreeg dat het zich niet precies hoeft te houden aan de door het rijk vastgestelde ruwe grenzen, maar in de hele provincie zelf gebieden mag kiezen voor de EHS. Vliegende hectares worden deze gronden genoemd. De provincie zegt hierdoor sneller contracten te kunnen sluiten voor beheersovereenkomsten.

De roep om maatregelen klinkt. Staatsbosbeheer, Vereniging Natuurmonumenten en Stichting Natuur en Milieu bepleitten eerder met een onderzoek van KPMG-accountants in de hand een versnelling van de aankopen ten behoeve van de Ecologische Hoofdstructuur. Ook wordt gedacht aan het onteigenen van grond voor natuur, zoals dat nu gebeurt bij de aanleg van rivierdijken, snelwegen en Vinex-wijken. Tot dit moment worden onwillige landeigenaren nog slechts bij uitzondering onteigend, vorig jaar slechts in drie procent van de aankopen door de Dienst Landelijk Gebied. Maar Faber wil het onteigeningsinstrument de komende jaren vaker inzetten.

Te vaak hindert het verzet van één enkele boer of particulier de voortgang van een compleet natuurherstelplan. Vereniging Natuurmonumenten kampt al jaren met één bedrijf dat in de buurt van het Naardermeer weigert medewerking te verlenen aan het plan voor het verdrogende Naardermeer, zodat het grondwater niet op het gewenste niveau kan worden gebracht. Ook in de buurt van het Drentse Diever, bij de Hertenkamp, ligt een grondeigenaar al jaren dwars. Zo zijn er tientallen gevallen in Nederland. Niet helemaal onbegrijpelijk als je beseft dat een hectare landbouwgrond tegenwoordig gemiddeld 70.000 gulden kost, maar dat een veelvoud daarvan wordt betaald als op die grond gebouwd mag worden.

Soms liggen die twee grondfuncties – landelijk en stedelijk – zo dicht bij elkaar dat een boer voor grond aan de ene kant van het slootje vijf keer zo veel betaald krijgt als aan de andere kant van dat slootje. Er liggen adviezen aan het kabinet om bij de grondmarkt niet langer onderscheid te maken tussen het landelijk en stedelijk gebied. Nederland is zo zeer verstedelijkt, en de stedelijke en landelijke functies zijn vaak zo zeer met elkaar verweven, dat je grond als een continuüm zou moeten beschouwen.

Van der Zande is er een groot voorstander van, en zou daarbovenop een zware verstedelijkingsheffing willen instellen. Een heffing die iedere grondeigenaar zou moeten betalen zodra de functie van grond wijzigt van een landelijke naar een stedelijke functie. Nu nog kopen veel ontwikkelaars, de bankverzekeraar Fortis voorop, veel grond rondom stedelijke gebieden in de hoop daar later te kunnen bouwen.

Met een verstedelijkingsheffing, zegt Van der Zande, zou je de speculatiewinst op grond in het landelijk gebied teniet kunnen doen. Daarmee maak je het wegkapen van grond die eigenlijk voor de natuur bestemd is, onaantrekkelijker. Bovendien, zegt Van der Zande, roep je een halt toe aan de kolonisatieplanologie: het steeds maar weer de grenzen van de stad op zoeken en maagdelijke gronden bebouwen. En de pionierseconomie: het steeds maar weer nieuw land ontginnen en het oude land, de steden, als laagwaardig kapitaal achter je te laten. Revitaliseer liever de steden dan dat je de natuur aantast, zegt hij. Saneer liever de bedrijfsterreinen in de Rotterdamse haven dan dat je een Tweede Maasvlakte aanlegt.

Misschien nog het belangrijkste gevaar dat de Ecologische Hoofdstructuur bedreigt, is niet de kwantiteit maar de kwaliteit van de gebieden. Je ziet het aan een gebied als bij Diever; de provincie Drenthe mag het dan wel hebben opgenomen in de Ecologische Hoofdstructuur, maar als er geen inrichtingsplan zou worden gemaakt, dan zou De Hertenkamp uit biologisch en ecologisch oogpunt helemaal niet zo waardevol zijn. De oorzaken zijn bekend. Verdroging door de mechanisering in de landbouw. Verzuring door emissies van schadelijke stoffen in vooral industrie en verkeer. Vermesting door de intensieve veehouderij. En versnippering van natuurgebieden door oprukkende bedrijventerreinen, woningen en wegen. De milieudoelstellingen van het vorige kabinet op dit terrein worden voorlopig niet gehaald, zo bleek onlangs uit een onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

Er bestaat sinds vijf jaar een Overlevingsplan Bos en Natuur, bedoeld om de effecten van verdroging, verzuring en vermesting te bestrijden zolang de natuur zich zelf nog niet kan redden. Dat plan is een groot succes geworden omdat er veel planten- en diersoorten zijn teruggekeerd op de behandelde terreinen, maar het roept wel de vraag op wanneer de natuur eindelijk weer zo sterk is dat al deze lapmiddelen niet meer nodig zijn. Het is eigenlijk dweilen met de kraan open. Als we niet oppassen verworden onze beheerders tot tuinmannen in het groot, stelt Vereniging Natuurmonumenten, we houden als hoveniers het oog op illegale activiteiten en het publiek in wat eigenlijk niet meer dan gigantische plantenbakken zijn.

Dit is de tijd voor een ecologisch reveil, menen natuurbeschermers. Dit is de tijd voor herstel. Voor het ongedaan maken van de schade die is aangericht door de sterke economische groei. Je hoeft de revolutie in de landbouw niet als een misdaad te beschouwen om nu toch op een meer respectvolle manier met de natuur om te gaan, zegt Roelof Schuiling. De beheerder van Natuurmonumenten is zelf geboren en getogen op een gemengd bedrijf in het Drentse Norg. Hij weet hoe groot de drang na de oorlog was om nooit meer armoede te lijden, om de Nederlandse voedseltekorten weg te werken. Hij weet nog hoe een van de twee Zeeuwse trekpaarden op zijn ouderlijk erf moest wijken voor de met geld van de Marshall-hulp gekregen tractor. Maar inmiddels er is geen grote armoede meer. Er hoeft niet meer gesappeld te worden, van zonsopgang tot zonsondergang. Er zijn geen voedseltekorten meer. Nu is de natuur aan de beurt, vindt Schuiling, althans zolang we het ons kunnen permitteren.

Democratie is kostbaar, maar de natuur betaalt daarvoor

Onze beheerders worden tuinmannen in het groot, zegt Natuurmonumenten