Ongebreideld autorijden in een land zonder papieren

Het begon vorig jaar in de weken na het einde van de oorlog in Kosovo. Tussen vrachtwagens met Westerse hulpgoederen verschenen de eerste opleggers met tweedehands auto's. Al snel groeide hun aantal sterk, iedere week meer. Op de smalle weg naar de grensovergang tussen Macedonië en Kosovo verdreven ze de vrachtwagens met levensmiddelen en bouwmaterialen voor de behoeftige Kosovaren. Die hadden kennelijk meer behoefte aan een auto onder hun achterste dan aan een dak boven hun hoofd.

Nergens op de Balkan rijden meer auto's dan in Kosovo. De hele dag zijn de wegen verstopt – al toeterend en schreeuwend kruipen de mannen in hun auto's door het opwaaiende stof. De drukte wordt versterkt door het grote aantal hulpverleners in de kleine provincie. In het nieuwste type four-wheel-drive scheuren ze langs de Kosovaren in hun sputterende Zastava's of Yugo's.

In deze chaos is het aantal ongelukken hoog. In het hoofdkantoor van de Organisatie voor Vrede en Samenwerking in Europa (OVSE) hangen foto's van volkomen verkreukelde jeeps. Drive carefully staat er onheilspellend onder. De vredesmacht KFOR verliest meer soldaten door ongelukken op de weg dan door ander geweld. Een auto is een must; hij imponeert vrouw, vriend en familie. Twaalfjarige jongens rijden al rond.

De verkeerscontrole faalt. Dat is de schuld van de Serviërs, want zij hebben tijdens de verdrijving van honderdduizenden Kosovo-Albanezen vorig jaar de indentiteitspapieren van de vluchtelingen vernietigd.

De Albanezen maken daar nu handig gebruik van. De twaalfjarige, bijvoorbeeld, liegt over zijn leeftijd; hij is achttien en sorry, heeft geen papieren om dat te bewijzen. Afgepakt. Door de Serviërs.

Voor auto's geldt hetzelfde. Behalve paspoorten en autopapieren hebben de Serviërs ook de nummerplaten van veel auto's vernietigd. Het was een vorm van psychologische oorlogsvoering; bevolkingsarchieven werden in brand gestoken en papieren en kentekens werden vermalen. Zo konden de Kosovo-Albanezen niet langer bewijzen uit Kosovo afkomstig te zijn.

Maar de Serviërs werden verdreven en de Albanezen keerden terug. En niet lang daarna verschenen de eerste autodieven met hun handelswaar. In de straten van Priština reden open BMW's en grote Mercedessen rond. Zonder nummerbord, maar met de D van Duitsland nog op de bumper geplakt. De Serviërs hadden volgens de nieuwe bezitters de autopapieren en de kentekens in beslag genomen. Maar de BMW zelf, hebben ze die niet geconfisqueerd? Tsja, raar maar waar, zo knikt dan de bestuurder vol leugenachtige overtuiging.

Dergelijke praktijken moesten worden aangepakt. Het VN-bestuur in Kosovo, UNMIK, stelde daarom begin dit jaar een verplichte registratie voor Kosovaarse auto's in. Helaas: niemand kwam opdagen. De uiterste afloopdatum werd twee keer verlengd. De derde keer werd er geen limiet meer gesteld. Slechts vijftien procent van de auto's is inmiddels geregistreerd, aldus een vriendin bij de VN, zo'n 45.000 wagens. ,,Maar eigenlijk hebben we geen idee hoeveel wagens in Kosovo rondrijden'', zegt ze. Wel vermoeden de VN dat zeventig procent van het wagenpark gestolen is.

Officieel kan de VN-politie een boete uitdelen aan automobilisten zonder kenteken. Vijftig mark. Vaak laat ze dat na. Want hoe weet de agent of iemand echt geen papieren heeft of daarover liegt? Bovendien heeft-ie wel iets anders te doen – die twaalfjarige uit de auto zien te krijgen, bijvoorbeeld.

Naast autodieven profiteren ook andere handelaren van het ongebreidelde autobezit in Kosovo. Eerst verkochten ze benzine en olie langs de weg. Daarna begonnen ze massaal een autowasserij. Daar laten vooral de hulpverleners hun witte jeeps wassen. Hoge opbrengsten en lage investeringen; slechts een tuinslang, een kraan en een spons. Tegenwoordig schieten de benzinestations als paddestoelen uit de grond.

Die pompen worden vooral gebruikt om geld wit te wassen, vermoedt de VN. Op de weg van de hoofdstad Priština naar Blace, de grensovergang richting Macedonië, zo'n tachtig kilometer lang, houd ik na het vijfentwintigste benzinestation vermoeid op met tellen. Kosovo mag dan veel auto's tellen, dit is overdreven. De Albanezen maken onderling al grappen over de hoveelheid pompstations. Gooi tijdens de rit naar de grens niet langer je peuk uit het raam, zeggen ze tegen elkaar. Voor je het weet staat het land weer in brand.