Naar een koolstofarme economie

Terwijl de klimaatverandering lijkt door te zetten, lukt het nog niet goed met de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen zoals afgesproken in Kyoto. De conferenties die komend najaar in Lyon en Den Haag worden gehouden moeten ervoor zorgen dat `Kyoto' overeind blijft en wordt uitgevoerd, vinden Michael Meacher en Jürgen Trittin.

De klimaatverandering is het grootste milieuprobleem waarvoor de mensheid thans staat. In veel delen van de wereld is sprake van extreme en ongewone weersomstandigheden. Van de tien warmste jaren die ooit zijn geregistreerd, vielen er zeven in de afgelopen tien jaar. De klimaatverandering is weliswaar al aan de gang, maar als nu iets gedaan wordt, kunnen de ergste effecten voorkomen worden.

De internationale gemeenschap houdt zich inmiddels bezig met het probleem. De industrielanden sloten in 1997 het akkoord van Kyoto. Daarbij verplichtten zij zich om de uitstoot van hun broeikasgassen in de periode tussen 2008 en 2012 gezamenlijk minimaal vijf procent onder het niveau van 1990 te brengen. Maar tot nu toe duren de onderhandelingen over de concrete uitvoering van het akkoord voort en is het nog steeds niet van kracht geworden.

Dit najaar bieden twee internationale conferenties – in Lyon (van 4 tot en met 15 september) en in Den Haag (van 13 tot en met 24 november) – de mogelijkheid deze onderhandelingen eindelijk af te ronden. In november moeten de betrokken ministers in Den Haag hun politieke wil tonen tot het nemen van besluiten waardoor het akkoord geratificeerd kan worden en de weg kan worden geëffend voor de grotere emissiereducties die op lange termijn noodzakelijk zijn. Het Verenigd Koninkrijk en Duitsland hebben een gemeenschappelijke doelstelling: ze willen dat het akkoord van Kyoto in 2002 – tien jaar na de wereldmilieuconferentie in Rio de Janeiro – van kracht wordt.

Wij willen het daarom in Den Haag eens worden over échte uitstootvermindering, zodat de geloofwaardigheid van het akkoord van Kyoto bewaard blijft. We moeten ervoor zorgen dat het akkoord niet ernstig wordt afgezwakt door het creëren van ontsnappingsmogelijkheden waardoor enkele industriestaten in hun eigen land geen echte reductiemaatregelen hoeven te nemen.

Wij zijn daarom van mening dat een in Den Haag bereikt akkoord een aantal cruciale punten moet bevatten:

Maatregelen van de ontwikkelde landen ter vermindering van de uitstoot van broeikasgassen.

Het akkoord van Kyoto staat ontwikkelde landen toe emissiereducties in het buitenland te `kopen', indien dat goedkoper is dan vermindering van de uitstoot in hun eigen land. De zogeheten `Kyoto-mechanismen' voorzien in: (1) de internationale handel in emissiereducties; (2) projecten voor vermindering van emissie in ontwikkelingslanden – het zogenaamde mechanisme voor milieuvriendelijke ontwikkeling of `Clean Development Mechanism'(CDM); en (3) gezamenlijk uitgevoerde projecten in andere industrielanden – `Joint Implementation'. Hierachter schuilt een eenvoudige logica: het maakt niet uit waar de emissieverminderingen plaatshebben, het nut voor het milieu blijft hetzelfde. Maar tegelijkertijd is het akkoord ongeloofwaardig als de ontwikkelde landen hun doelstellingen kunnen bereiken zonder het terugbrengen van de emissies in eigen land.

Daarom hebben de EU-ministers voor de toepassing van de Kyoto-mechanismen een `bovengrens' voorgesteld om er zeker van te zijn dat elk ontwikkeld land minimaal de helft van de geëiste emissieverminderingen bereikt door maatregelen in het eigen land. Terwijl veel ontwikkelingslanden de EU daarin steunen, hebben landen als de Verenigde Staten, Canada en Japan geweigerd zelfs maar over deze kwestie met de EU te onderhandelen. Wij verzoeken deze landen dringend hun houding nog eens te bezien en constructieve voorstellen te doen.

Verstandige regels voor `putten' (sinks).

Een put is in dit verband een proces of mechanisme waardoor broeikasgassen uit de atmosfeer verwijderd worden – zoals bomen koolstof absorberen. Het akkoord van Kyoto staat landen toe voor het bereiken van hun nagestreefde emissiereducties gebruik te maken van putten. Daaraan zijn echter problemen verbonden. Terwijl emissiereducties definitief zijn, slaan putten de koolstof slechts tijdelijk op, waardoor de klimaatsverandering alleen maar wordt uitgesteld. Ook bestaan veel onzekerheden en risico's bij putten – bossen kunnen sterven, verbranden of door storm verwoest worden, waardoor de koolstof weer in de atmosfeer komt. De recente bosbranden in de VS hebben dat aangetoond.

Daarom moeten we voorzichtig zijn bij het gebruik van putten in plaats van echte emissiereducties voor het bereiken van de doelstellingen van Kyoto – of dat nu door de VS, Australië, Japan of de EU gebeurt. De EU heeft beperkingen voorgesteld waar het gaat om de aard van de putten die meegeteld mogen worden en er moeten volgens ons geen extra acties op dit punt worden ondernomen indien de bezwaren niet uit de weg kunnen worden geruimd. Wij geloven ook niet dat putprojecten voor het mechanisme voor milieuvriendelijke ontwikkeling in aanmerking mogen komen. Wanneer hier fouten worden gemaakt kunnen de emissies met twintig procent stijgen in plaats van met vijf procent dalen zoals in Kyoto is afgesproken.

Een mechanisme voor milieuvriendelijke ontwikkeling op basis van schone, milieuvriendelijke projecten.

Het `Clean Development Mechanism' (CDM) streeft twee doelen na: enerzijds moet het ontwikkelingslanden bij het bereiken van een duurzame ontwikkeling ondersteunen en anderzijds moet het de ontwikkelde landen helpen bij het nakomen van de in Kyoto aangegane verplichtingen. Wij moeten in Den Haag regelingen voor het CDM overeenkomen die ervoor zorgen dat projecten snel kunnen worden begonnen. De EU is van mening dat dit het beste kan worden bereikt door een `positieve lijst' overeen te komen van schone, milieuvriendelijke projecten op basis van hernieuwbare energiebronnen, energiezuinige technologieën en maatregelen van de kant van de verbruiker in de energie- en verkeerssector.

Een effectief en afdoend controlesysteem voor de nakoming van het Kyoto-akkoord.

Wij moeten ontwikkelde landen stimuleren om hun in Kyoto gestelde doelen te bereiken. Er moeten dus harde sancties komen voor het geval deze niet worden gehaald. Industrielanden zouden bij de nakoming van hun verplichtingen niet mogen `sjoemelen'.

De industrielanden moeten het voortouw nemen door in eigen land maatregelen voor vermindering van de uitstoot te nemen. Wij zijn ervan overtuigd dat maatregelen ter bescherming van het klimaat goed zijn voor onze economie, ons bedrijfsleven en onze bevolking. Wij weten dat er bij een stijgende vraag naar nieuwe klimaatvriendelijke producten en diensten in veel bedrijfstakken nieuwe zakelijke kansen ontstaan. Wij zullen in oktober onze nationale klimaatbeschermingsprogramma's publiceren, waarin de door ons geplande maatregelen voor het bereiken van de doelstellingen van Kyoto uiteengezet worden, met inbegrip van een efficiënter energiegebruik, vermindering van de emissies in het verkeer en de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen. Daarbij geldt: `No pain, no gain' (wie niet zaait, zal niet oogsten), maar de nadruk ligt op `gain' en niet op `pain'.

We zijn in onze landen al begonnen met de invoering van maatregelen voor de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. In Duitsland lagen de emissies van kooldioxide in 1999 15,3 procent lager dan in 1990 en het landelijke doel om in 2005 een reductie van 25 procent te bereiken ligt binnen handbereik, hoewel de regering steeds minder gebruik van kernenergie maakt. De uitstoot van de zes in Kyoto genoemde gassen daalde ten opzichte van 1990 met 18,5 procent (ter vergelijking: het door Duitsland in Kyoto gestelde reductiedoel is 21 procent in de periode van 2008 tot 2012).

In het Verenigd Koninkrijk lag de uitstoot van broeikasgassen in 1998 8,5 procent lager dan in 1990. De Britse regering heeft reeds nieuwe maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat het land zijn in Kyoto gestelde doel haalt en dat het blijft aansturen op de nationale doelstelling van een reductie van 20 procent van de kooldioxide-emissies. Volgens het Britse klimaatbeschermingsprogramma dat begin dit jaar in concept is gepubliceerd, zouden de emissies door deze nieuwe maatregelen in 2010 tot 21,5 procent onder het niveau van 1990 kunnen worden verlaagd – dat is dus onder de Britse Kyoto-doelstelling van min 12,5 procent.

Volgens de statistieken van de Verenigde Naties over 1999 zijn echter in veel andere industrielanden, met inbegrip van de VS (plus 10,7 procent), Japan (plus 9,5 procent) en Australië (plus 12 procent) de emissies van kooldioxide verder toegenomen terwijl de EU als geheel haar emissies slechts heeft gestabiliseerd. Onze partners moeten echt beginnen met concrete maatregelen in hun eigen land om deze opwaartse lijn in de uitstoot om te buigen. Het is duidelijk dat alle landen aan een oplossing voor de klimaatverandering moeten meewerken. We kunnen echter van de ontwikkelingslanden niet verwachten dat ze meer doen, als de industrielanden niet laten zien dat ze hun eigen verplichtingen serieus nemen.

We moeten de dialoog over een betere samenwerking tussen ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden op het gebied van de klimaatbescherming intensiveren en tevens een duurzame ontwikkeling bevorderen. Het is onze grote wens de ondersteuning van de ontwikkelingslanden, met name van de kleine eilandenrijken en de minst ontwikkelde landen, door vergroting van hun personele en institutionele capaciteit en door overdracht van technologie voort te zetten en de meest kwetsbare landen bij hun aanpassing aan de effecten van de klimaatverandering te helpen.

De conferenties in Lyon en Den Haag zouden een keerpunt kunnen zijn in de onderhandelingen over de klimaatbescherming. Wij hopen dat Den Haag het begin zal zijn van een langdurige overschakeling op een koolstofarme wereldeconomie en nemen de oproep van de burgers: `Don't be vague in The Hague' serieus.

Jürgen Trittin en Michael Meacher zijn de ministers van Milieu van respectievelijk Duitsland en Groot-Brittannië.