Ikonen en tatoeages

De Kopten zijn christelijke Egyptenaren. In deze geïsoleerde cultuur zijn dingen bewaard gebleven die elders verloren gingen. Deze week congresseerden 200 koptologen in Leiden over gnostiek, kunst, verdwijnende folklore én Koptische asielzoekers.

DE OPTOCHT trok ruime aandacht: een dozijn bebaarde monniken, gehuld in zwarte pijen en de hoofdbedekking versierd met geborduurde Koptische kruisjes, liep in de late middagzon door de Breestraat. De eerste dag van het Zevende Internationale Congres van Koptische Studiën zat erop en in het Leidse stadhuis wachtte een welkomstreceptie. De Egyptische ambassadeur sprak aardige woorden en Loek Vredevoogd, voorzitter van het College van Bestuur, zou vol trots de Leidse reputatie memoreren als centrum van Koptische studies. Maar wist hij waarover hij sprak?

Kopten zijn de christelijke bewoners van Egypte. Precieze cijfers ontbreken, maar ze maken naar schatting 10 procent van de bevolking uit en zijn daarmee de grootste christelijke minderheid in het Midden-Oosten. De meesten behoren tot de Koptisch Orthodoxe Kerk, die zich in het jaar 451 wegens een conflict over de natuur van Christus afscheidde van de Katholieke (c.q. Orthodoxe) Kerk en nu geheel op zichzelf staat. De legende wil dat de evangelist Marcus het christendom in Egypte introduceerde. In de vierde eeuw ontstonden in de woestijn langs de Nijl de eerste kloosters, die al snel werden geïncorporeerd in de Kerk om ketterij voor te zijn. Na de Arabische verovering van Egypte in 641 maakte het Koptisch, een late fase van het Egyptisch van de farao's en geschreven met Griekse letters, geleidelijk plaats voor het Arabisch. Al eeuwen fungeert het alleen nog als liturgietaal.

Op de vierjaarlijkse Koptische congressen is het accent geleidelijk verschoven naar modernere onderwerpen. ``Vroeger vormden koptologen een stoffig clubje'', zegt dr. Han den Heijer, arabist en directeur van het Nederlands-Vlaams Instituut in Kairo. ``Het ging over gnostiek, manicheïsme of papyrologie, wat ná de arabisering kwam was niet interessant. Maar Koptische ikonen zijn bijna nooit ouder dan de zeventiende eeuw. Van de week ging het ook over hedendaagse onderwerpen als de verdwijnende folkloristische Koptische tradities of het Nederlandse asielbeleid jegens de Kopten. Dat laatste ligt politiek gevoelig en was vier jaar gelden ondenkbaar. Ik vind dat de sociale wetenschappen erbij horen.''

Over dat asielbeleid sprak Puck de Wit, verbonden aan het Nijmeegse Instituut voor Oosters Christendom. Ze presenteerde in Leiden cijfers van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND) waaruit bleek dat gedurende de periode 1995-1999 ten minste 45 Kopten in Nederland asiel aanvroegen. Dat is in bijna gevallen geweigerd. Argument: volgens de Ambtsberichten van 1999 zou de Egyptische overheid niet vervolgen en asielzoekers hadden bij moeilijkheden met moslimfundamentalisten naar de politie kunnen lopen of desnoods verhuizen. In de ogen van De Wit een nogal optimistische visie die bovendien niet gedeeld wordt door organisaties als Human Rights Watch. Ook het standpunt van de Duitse regering is volgens haar een stuk realistischer. Overigens bestaat de Koptische gemeenschap in Nederland uit zo'n 3.000 personen en zijn er kerken in Amsterdam en Den Haag.

De Leidse organisatoren hebben een flink aantal Kopten naar het congres weten te halen. Over de Kopten en met de Kopten, was het parool. Bisschop Thomas uit de provincie Assuit deed in zijn lezing een emotionele oproep om oude Koptische volksgebruiken vast te leggen voor het te laat is. De teloorgang weet hij aan het (tijdelijk) werken van dorpelingen in de Golf, op bezoek komende emigranten, het miskennen van Koptische cultuur in het Egyptische onderwijs en het oprukken van satelliet-tv. Thomas vertelde hoe hij een feest voor zijn ogen had zien verdwijnen. Een kruis van palmbladeren werd in een processie vanuit de kerk naar de Nijl gedragen, er werd gezongen en gedanst, het kruis verdween in het water en men keerde terug naar de kerk om de dienst voort te zetten. Bij een later bezoek bleek het gebruik voorgoed verdwenen, door de spanningen tussen christenen en moslims. Kom naar onze dorpen, besloot de bisschop, en geef de stervende uw hand.

``Door het sterke isolement zie je bij Kopten gebruiken die elders al lang zijn verdwenen'', zegt dr. Karel Innemée, in Leiden specialist op het gebied van Koptische wandschilderingen. ``Op het terrein van de liturgie stuit je op archaïsche melodieën, volstrekt afwijkende toonsoorten, kerkgezangen die misschien wel teruggaan op de faraonische tijd. Opvallend is dat Kopten – islamieten trouwens ook – vrouwenbesnijdenis als iets typisch voor hun cultuur zien, terwijl het in wezen om een Afrikaanse traditie gaat die binnen de Koptische Kerk is blijven voortbestaan. Bij vrouwenbesnijdenis denk je als Nederlander al gauw aan Somalië, maar niet eens zo heel lang geleden wees een schatting uit dat van de Koptische meisjes zo'n 70 procent wordt besneden.''

Iets anders waarmee Kopten zich uiterlijk graag onderscheiden zijn tatoeages van kruisen op de binnenkant van de pols. ``Bij grote christelijke feesten zoals Kerstmis of Pasen zie je bij de ingang van het Patriarchaat in Kairo op straat steevast een tatoeëerder'', zegt Innemée. ``Mensen van alle leeftijden stappen op hem af, maar vooral meisjes en jongens tussen de 15 en 20 jaar. Hoe steriel die naald is weet ik niet.''

Sinds de jaren tachtig is de Universiteit Leiden betrokken bij een project waarbij Kopten worden opgeleid om hun eigen cultuurgoed te beheren. Innemée: ``Wijlen Paul van Moorsel, in leven hoogleraar vroegchristelijke cultuur met speciale aandacht voor de Kopten, was mijn leermeester. Op een memorabele dag, ergens in 1985, bezocht ik samen met hem een Egyptisch klooster. We zagen een groot vuilnisvat vol snippers en bladzijden van manuscripten. Voor een groot deel 19de-eeuws, maar er zat ook een snipper tussen die 13de-eeuws bleek te zijn. In een ander klooster waren monniken bij het uithakken van sleuven voor elektrische bedrading op een wandschildering gestuit. Toen wij er waren, waren al enkele vierkante meters verwoest. Paul zei: dit kan zo niet, de opleving van het Koptische kloosterleven mag niet resulteren in het naar de knoppen helpen van erfgoed. Tegelijk besefte hij dat conserveren nooit zonder medewerking van de Kopten kon slagen.''

Er kwam een proefproject waarbij drie monniken gedurende een half jaar in Nederland onderwijs kregen. Vervolgens kregen 30 monniken in een vierjarig project van Ontwikkelingssamenwerking van Nederlandse experts college in een Koptisch klooster. Als uitvloeisel hiervan startte in 1995 een restauratieproject waarbij onder leiding van Karel Innemée in Deir al-Soerian (het Klooster van de Syriërs) in Neder-Egypte wandschilderingen worden gerestaureerd, onder auspiciën van de Universiteit Leiden en het Nederlands-Vlaams Instituut in Kairo. Onlangs zijn op de wanden Oudsyrische graffiti ontdekt. Als spin off van dit project zal de waardevolle collectie Oudsyrische manuscripten in de kloosterbibliotheek gerestaureerd en ontsloten worden. Wie weet duiken er dan ook nog Koptische teksten op.

Nu is er een probleem: het geld voor de verdere restauratie van de Koptische wandschilderingen in Deir al-Soerian is op. ``Het ziet er somber uit'', zegt Den Heijer. ``We krijgen veel bijval, maandag in het stadhuis lieten de ambassadeur en Vredevoogd zich lovend over het project uit, maar intussen is de kas wel leeg. Tegenover de Egyptische counterpart valt het nauwelijks te verkopen dat je als universiteit uit een rijk land maar een paar weken per jaar kunt komen restaureren. Je staat in je hemd. Die monniken bieden je gastvrijheid, het is heel bijzonder dat je in hun klooster mag werken. En wat doen wij? Steeds laten we een half afgewerkt stuk muur achter met de boodschap dat we hopelijk volgend jaar verder gaan. En nu zit zelfs dat er niet meer in.''

Er valt meer af te dingen op de Leidse reputatie als centrum voor Koptische studies. Na zijn emeritaat bij kunstgeschiedenis is Van Moorsels leerstoel opgeheven. Binnenkort is de halve aanstelling van Innemée het enige dat op dat terrein rest. Den Heijer: ``Als je kijkt naar wat er institutioneel aan koptologen in Leiden rondloopt is de oogst nogal mager. Mat Immerzeel werkt bij Deir al-Soerian dankzij extern geld, zodra dat project droogvalt verdwijnt zijn baan. Jos van Lent en Gertrud van Loon, die zich met apocalypsen en oudtestamentische wandschilderingen bezighouden, hebben in Leiden geen enkele aanstelling. Alleen Jacques van der Vliet, deze week de congressecretaris, heeft expliciet bij egyptologie een 0,8 baan als koptoloog. Ik denk niet dat het met de koptologie de kant opgaat van het Keltisch in Utrecht. Een congres als dat van deze week en de uitspraken van Vredevoogd moeten toch bescherming bieden. Maar het is steeds vechten om te overleven.''