IJkpunten zijn verdwenen

Op een tentoonstelling in Kassel en in Amsterdam over de jonge Rembrandt zal een ander beeld van de schilder worden gepresenteerd dan men tot nu toe gewend was. Nieuwe opvattingen over stijl hebben geleid tot een herziening van het vroege werk van Rembrandt. Een direct gevolg daarvan is dat minstens vier schilderijen die door het Rembrandt Research Project waren beoordeeld als niet van Rembrandt of als twijfelachtig werden beschouwd, toch aan diens oeuvre kunnen worden toegevoegd. Dit aantal kan nog oplopen.

Dit maakte prof. dr. Ernst van de Wetering gisteren bekend op een besloten bijeenkomst in Museum het Rembrandthuis, waar hij de plannen ontvouwde voor een tentoonstelling in het Rembrandthuis over de jonge Rembrandt.

Deze tentoonstelling wordt mede georganiseerd door de Staatliche Museen in Kassel. De directeur van het slot Wilhelmshöhe te Kassel, Bernhard Schnackenburg is de instigator van het project. Wilhelmshöhe bevat een aanzienlijke collectie Nederlandse kunst uit de 17de eeuw. Daaronder bevindt zich een aantal schilderijen van Rembrandt. Schnackenburg was al in 1996 van oordeel dat het schilderij Buste van een oude man met gouden ketting uit 1632 ten onrechte niet aan Rembrandt was toegeschreven. Inmiddels is ook Van de Wetering die mening toegedaan.

Toen in 1968 het Rembrandt Research Project van start ging, waren de verwachtingen hoog gespannen. Inderdaad hebben natuurwetenschappelijk en archivalisch onderzoek een enorme hoeveelheid kennis over Rembrandts werkwijze opgeleverd. Dit resulteerde in drie delen van het zogeheten Corpus waarin drie categorieën werden aangebracht. De A-categorie was voorbehouden aan werk dat zeker aan Rembrandt werd toegeschreven, de B-categorie stond voor twijfelgevallen en onder de C-categorie vielen de afvallers.

In de loop der jaren is in vakkringen kritiek ontstaan op deze rigide indeling. Het hele begrip `authenticiteit' kwam ter discussie te staan. Geregeld vernam men ook van toeschrijvingen en afschrijvingen die niet strookten met de opvattingen van de leden van het Research Project. Onlangs nog werd van een zelfportret in het Mauritshuis, dat altijd als een ijkpunt had gefungeerd, vastgesteld dat het een kopie moest zijn van een origineel dat zich in Neurenberg bevindt.

Verscheidene factoren hebben tot deze nieuwe oordelen geleid. Om te beginnen kreeg men meer oog voor het proces van schilderen, waarbij verschillende schilders in een atelier konden samenwerken. Een schilderij kan dus in principe ook `een beetje' van Rembrandt zijn. Een andere argument kan geleverd worden door een prent naar een schilderij van Rembrandt. Dat was het geval met Oude man met baard in Milwaukee, van omstreeks 1630. Dit had een C-status en heeft nu de A-status verkregen. Op een prent van Jan van Vliet naar dit schilderij staat namelijk duidelijk dat Rembrandt de `inventor', de `bedenker' dus, van de voorstelling was.

Inmiddels is de laatste jaren een nieuw inzicht ontstaan dat nog nauwelijks aanwezig was in de eerste decennia van het bestaan van het Rembrandt Research Project. Dit ging er vanuit dat een schilder in zijn loopbaan een stilistische ontwikkeling doormaakt, in het geval van Rembrandt van een precieze, `beschrijvende' stijl, als een wegbereider van de Leidse fijnschilders, naar een veel ruwere, suggererende wijze van schilderen. Het eerder vermelde zelfportret, dat nu als een kopie wordt gezien, was in dit opzicht een referentiepunt. Alles wat anders, in de 17de-eeuwse terminologie `ruwer', meer aanduidend dan gedetailleerd geschilderd was en uit dezelfde tijd dateerde, kon gewoon niet van Rembrandt zijn en viel dus af. Van de Wetering heeft zich vaak in een minderheidsstandpunt tegen deze benadering verzet.

Ook Bernhard Schnackenburg begon daaraan sterk te twijfelen en die twijfel is terecht gebleken. Het staat nu vast dat het `ontluikend talent' Rembrandt in een en dezelfde periode wel degelijk gewerkt heeft in verschillende stijlen tegelijk. Deze visie op de stijlrijkdom van een enkele schilder heeft verregaande consequenties. Niet langer kan men vasthouden aan een lineaire stijlontwikkeling, niet langer heeft men voor alle periodes absolute ijkpunten.

De tentoonstelling over de jonge Rembrandt zal 20 tot 25 werken van Rembrandt omvatten uit de periode 1625-1632. Daarnaast komt er een aantal werken, waarvan men altijd heeft gedacht dat ze in zijn omgeving zijn gemaakt, maar die door vergelijking misschien nu toch aan Rembrandt toegeschreven kunnen gaan worden.

De tentoonstelling zal drie secties omvatten. De eerste sectie richt zich op Rembrandt als beginnend kunstenaar en zijn samenwerking met Jan Lievens. Het tweede gedeelte behandelt de vroege roem die Rembrandt ten deel viel, onder andere van Constantijn Huygens. Die roem bracht met zich mee dat hij leerlingen kreeg die hem navolgden. Dit vormt nu juist een van de hoofdproblemen bij de toeschrijving. Het laatste deel gaat in op de `ruw geschilderde tronies', die hij aan het eind van de jaren twintig en het begin van de jaren dertig schilderde.

De tentoonstelling in Kassel duurt van 3 november 2001 tot 27 januari 2002. In Museum het Rembrandthuis zal hij te zien zijn van 20 februari tot 26 maart 2002.