HERINNERING VERVAAGT BIJ HET INHOUDEN VAN NEGATIEVE EMOTIES

Onderdrukking van de uiting van (negatieve) emoties leidt tot een slechter geheugen. Het in een vroeg stadium dempen van negatieve emoties door de negatief ervaren situatie snel te herwaarderen (`die botterik bedoelt het eigenlijk niet kwaad') leidt niet tot een slechter geheugen voor die situatie. Dit blijkt uit een drietal onderzoeken door twee psychologen van Stanford University (Journal of Personality and Social Psychology, september). Het monitoren van de eigen emoties kost aandacht die ten koste gaat van het geheugen.

Dat emotie samenhangt met geheugen is al langer bekend. Emotioneel belangrijke gebeurtenissen worden beter onthouden dan gebeurtenissen die neutraal ervaren worden. Ook is bekend dat bewuste controle van emoties deze emoties verandert. En onlangs werd door de Amerikaanse psycholoog Roy Baumeister en anderen gevonden dat bewuste onderdrukking van de uiting van emoties (door de opdracht: zorg ervoor dat je emoties niet op je gezicht te lezen zijn) leidt tot een zwakker doorzettingvermogen bij volgende (moeilijke) taken. Kennelijk kan zelf-controle, net als een spier, vermoeid raken, was Baumeisters conclusie (Journal of Personality and Social Psychology mei 1998 en Psychological Bulletin maart 2000).

De twee Stanford-psychologen, Jane M. Richards en James J. Gross, onderzoeken vooral de cognitieve effecten van bewuste controle van emoties. Zij onderscheiden twee soorten emotiecontrole (maar ze geven ruim toe dat er nog vele andere mogelijk en denkbaar zijn). De ene soort vindt plaats in een laat stadium, als de emotie al tot bloei is gekomen in de geest, het gaat dan om onderdrukking van de uiting van de emotie (expressieve suppressie). De tweede soort vindt juist in een vroeg stadium plaats: een potentieel emotionele situatie wordt zo geherformuleerd en geherwaardeerd dat emotionele inhoud minder wordt. Bijvoorbeeld een moeilijke taak wordt dan van een `bedreiging' een `uitdaging', of een medische ingreep wordt van `pijnlijk' `noodzakelijk'. In hun artikel in de Journal of Personality beschrijven ze drie uiteenlopende experimenten die alledrie de conclusie rechtvaardigen dat onderdrukking in een laat stadium het geheugen vermindert en dat de herwaardering geen invloed heeft op het geheugen.

Ze stuurden proefpersonen met verschillende opdrachten (`laat geen emotie zien' of het neutrale: `ga kijken') naar een emotioneel geladen film en onderzochten na afloop de mate waarin de proefpersonen zich delen van de film konden herinneren. In het tweede experiment keken proefpersonen naar emotioneel en niet-emotioneel geladen (medische) dia's, met de opdracht geen emotie te laten zien òf met de opdracht de foto's van verongelukte mensen met `medische distantie' te bekijken. De afstandelijk kijkende proefpersonen konden zich na afloop veel meer herinneren dan de andere, emotie onderdrukkende groep. Een derde experiment speelde zich af buiten het laboratorium: proefpersonen moesten dagboekjes bijhouden over emotionele momenten en werden getest op emotionele controle: herwaarderend of onderdrukkend. De herwaarderende groep bleek zich later de emotionele situaties beter te herinneren dan de andere, onderdrukkende groep.